Gerechtshof

te Amsterdam

                                                                       AKTE UITLATING PRODUKTIES

Zaaknummer : 2007/0919   

 

            Inzake:

 

1.     de Stichting Wakkere Accountant, hierna te noemen SWA, statutair gevestigd en kan­toorhoudende te Wassenaar en

2.     de heer mr drs. Cornelius Bernardus Antonius Spil RA, wonende te Helvoirt, gemeente Haaren, appellanten ,

                                                                       Procureur: Mr. G.C. Endedijk

                                                                       Advocaat: L.G.M. Delahaije

 

                                                                       Contra:

 

De publiekrechtelijke beroepsorganisatie het Koninklijk Nederlands Instituut van

Registeraccountants, hierna te noemen Nivra, statutair gevestigd en kantoorhoudende te (1083 GR) Amsterdam aan de A.J. Ernststraat 55

                                                                       Geïntimeerde,

                                                                       Procureur : Mr. B.H.J. Crans

                                                                       Advocaat : Mr. N.H. van den Biggelaar

 

 

Inleiding

 

De Memorie van Antwoord (MvA) van Nivra geeft aanleiding het volgende op te merken.  

 

Toepasselijk juridisch kader (punten 1 tot 7 MvA)

 

1)     Om deze zaak in het juiste perspectief te plaatsen, zij opgemerkt dat er zowel bij Nivra (registeraccountants) als binnen NOvAA(accountants-administratieconsulenten) heftig verzet bestaat tegen de wijze waarop Nivra en NOvAA wordt aangestuurd door een klein aantal grote kantoren.  In dit politieke debat wordt naar voren gebracht dat daardoor sprake is van concurrentievervalsing en onwerkbare regelgeving voor kleinere accountantskantoren en de talloze accountants die hun titel vooral als opleidingstitel zien.  Dat verzet heeft bij Nivra vorm gevonden in een Stichting SWA.  De SWA is de belangrijkste woordvoerder van de oppositie in dit politieke debat binnen Nivra.  

 

2)     Nivra heeft in haar produkties een uitvoerige en bijna ontroerende beschrijving gepresenteerd van de zorgvuldigheid waarbij alle regelgeving bij Nivra tot stand zou komen en de naar Nivra’s mening enig juiste interpretatie van de wettelijke regels.  In dit politieke debat wordt Nivra echter verweten dat het zo bloemrijk aangeprezen “due process” in feite vooral dient om opinies contrair aan die van Nivra onder het tapijt te vegen en proefondervindelijk te bepalen welke minimale aanpassingen nog noodzakelijk zijn om door het Nivra-Bestuur genomen besluiten veilig door de ledenvergadering te loodsen. Ook wordt Nivra in dit politieke debat verweten het hoogste orgaan,  de natuurlijk uitlaatklep in een democratisch bestel, te muilkorven door de contraire opinies die in het “due process” onder de mat zijn geveegd, niet in stemming te willen brengen. Tenslotte wordt in dit politieke debat verweten dat Nivra niet schroomt om al haar communicatie middelen,  voor dit doel in te zetten. 

 

3)     Een treffende weergave hoe dit “due process” door een objectieve derde is ervaren treft u aan op pagina 29 van de notulen van de ledenvergadering van 12 december 2006 in de volgende woorden van mevrouw H. Kapteijn, voorzitster van de vakgroep Finad die bijna de helft van alle Nivra-leden representeert: “wij zouden toch in overweging willen geven, gezien de grote hoeveelheid amendementen die er zijn, de moeilijkheid voor het gemiddelde lid om te overzien wat deze amendementen nu precies betekenen, hoe deze uitwerken op het geheel, wat de consequenties daarvan zijn, of het misschien toch niet beter is om deze code terug te laten komen, zodat er toch ook een goed gedragen besluit kan worden genomen. 

 

4)     Wat er van dit politieke debat ook moge zijn,  in de Memorie van Grieven (MvG) wordt het verslag van interpretaties van regelgeving in de MvA en de bijbehorende produktie 3, aangeduid als “persistente obstructie”.   Bepaalde simpele uitvoeringsverplichtingen die de Wet op de Registeraccountants (WRA) aan Nivra oplegt, worden immers door Nivra steeds uitgelegd als een uniek prerogatief van dat bestuursorgaan of commissie om welke reden dat prerogatief aan het hoogste orgaan, de ledenvergadering, niet meer toekomt.  Dat betreft met name de verplichting van het bestuur om ontwerp-verordeningen in de staatscourant te plaatsen (art. 23 WRA) en  de zogenaamde paritaire commissie (art. 19a lid 2 WRA). Deze interpretatie is naar de mening van de SWA geheel onnodig.Het zogenaamde ‘due process’ zou zelfs aanzienlijk versterkt worden als de ledenvergadering eerst zou kunnen stemmen over voorstel-verordeningen zodat de paritaire commissie duidelijke uitgangspunten heeft en niet alleen de instructies van het Nivra-Bestuur hoeft te volgen. Het is daarnaast onnodig en alleen kostenverhogend om de ledenvergadering alleen te willen te willen raadplegen over voorstel-verordeningen die al als ontwerp-verordening door het Nivra-Bestuur in de staatscourant zijn geplaatst.

 

 

De feitenweergave volgens Nivra (punten 8 tot  21 MvA)

 

5)     De stellingen van Nivra onder 10-13 MvA bevestigen alleen de “persistent obstructieve” interpretatie door Nivra.  Of en wanneer sprake is van de laatste fase van een debat is een belangrijk besluit. In een volkomen ‘due process’ kan een dergelijk besluit met zoveel weerstand beter aan de ledenvergadering overgelaten worden.  De WRA geeft immers geen enkele tekstuele basis waardoor het Nivra-Bestuur de verplichting tot plaatsing in de staatscourant en de timing daarvan als haar exclusief privilege kan toe-eigenen.  Nu die tekstuele basis volledig ontbreekt, moet naar de bedoeling van dit wetsartikel worden gekeken.  Die bedoeling is volgens haar ontwerpers uitdrukkelijk: “Aan de gezamenlijke leden wordt de hoogste macht toegekend.”.  Uit alle feiten blijkt duidelijk dat Nivra alles probeert om die hoogste macht te muilkorven waar mogelijk. 

 

6)     De stelling van Nivra onder 10 MvA die suggereert dat alleen leden van Nivra bezwaar kunnen maken tegen ontwerpen van verordeningen geplaatst in de staatscourant, is zelfs apert onjuist. Art. 23, lid 1 WRA stelt juist: “Een ieder kan gedurende drie weken na de openbaarmaking van een ontwerp bij het bestuur zijn bedenkingen schriftelijk naar voren brengen. Het bestuur brengt de naar voren gebrachte bedenkingen ter kennis van de leden.

 

7)     De stelling van Nivra onder 13 MvA dat de leden wel een keus hadden namelijk verwerpen is onbegrijpelijk. Nederlandse opvattingen van behoorlijk bestuur brengen nu eenmaal met zich mee dat waar duidelijk principiële verschillen van inzicht bestaan,  een bestuursorgaan beide partijen gelijke kansen geeft en ook de hulpmiddelen en fondsen waar nodig, om zich in vrijheid naar de leden uit te kunnen spreken over die principiële verschillen van inzicht (zie bijvoorbeeld de stemming over de Europese Grondwet). Er is in de dagvaarding en de MvA voldoende aangetoond dat vooral de brainwashing machine van Nivra aan het woord is geweest.

 

8)     Ook de stelling onder 16 MvA dat Nivra bij brief van 5 december 2006 de leden in kennis heeft gesteld van de bedenkingen, is onbegrijpelijk.  Als leden een brief van 5 pagina’s ontvangen waarin eerst het “due process” wordt opgehemeld en vervolgens via fouten en verminkingen zoals bij punt 5 dagvaarding is aangetoond,  alle contraire opvattingen worden neergesabeld, wie neemt dan nog de moeite om ook nog op een complexe site te gaan zoeken naar pagina’s waar nog veel meer pagina’s tekst en verwijzingen staan? 

 

9)     De stelling onder 17 MvA dat Nivra de oproep van Spil voor een extra ledenvergadering op haar website bekend heeft gemaakt,  is totaal onbegrijpelijk.  Volgens de MvA zou dit volgen uit de brief van Nivra aan Spil op 21 december.  Dat is wel wat laat voor een ledenvergadering van 21 december.  Bovendien is het niet waar want vlak voor de ledenvergadering stond er wel degelijk een aantal zaken op de website. In Produktie 1 bij deze akte uitlating produkties, zijn via schermprints alle pagina’s op de site opgenomen waarop Nivra haar on-line versie van de bedenkingen presenteerde.  Daaruit blijkt het volgende:

a)     Allereerst wordt slechts Spil (de boodschapper) gepresenteerd als degene die, naast twee andere indieners(Westra en Majoor)  om een extra ledenvergadering verzocht en de meer dan 40 leden zijn niet vermeld.  Het valt licht te bedenken dat een bedenking van meer dan 40 leden nu eenmaal meer opvalt dan een bedenking van slechts een willekeurig lid.

b)    Bovendien wordt boodschapper Spil gepresenteerd als de indiener van slechts één bedenking terwijl door Spil als boodschapper toch duidelijk twee bedenkingen zijn ingebracht namens twee verschillende groepen personen zoals bij punt 5 dagvaarding is aangetoond.

c)     Om de verwarring compleet te maken worden er weliswaar op de site ook drie bedenkingen getoond maar een daarvan is afkomstig van Mevr. Barbara Majoor (lid paritaire commissie).  Die bedenking van Mevr. Barbara Majoor is in de brief van 5 december waar gesproken wordt over slechts twee bedenkingen (Westra en Spil)  geheel vergeten.  In totaal waren er dus 4 bedenkingen.  Los van de vraag inzake de wijze van bekend maken,  heeft Nivra in werkelijkheid dus maar hooguit twee bedenkingen aan alle leden ter kennis gebracht.

   

Een goed lezer trekt zijn eigen conclusies in combinatie met het gestelde bij punt 5 dagvaarding over de brief van 5 december.  De stelling dat op deze wijze Nivra heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichting alle bedenkingen ter kennis van al zijn leden te brengen,  is volledig ongegrond. 

 

10)  Het is juist zoals punt 18 MvA stelt dat Nivra, althans Wilma Wakker namens Rob Bosman – Amendementen, op 7 december 2006 een email heeft gestuurd.  Omdat die mail handelde over de door enkele leden ingebrachte amendementen is die email in de producties bij dagvaarding niet opgenomen. Voor de discussie in kwestie over onbehoorlijk bestuur is deze mail van 7 december 2006, ook niet relevant.   Overigens  zijn er daarnaast nog tientallen andere mails met Nivra die in dit kader ook niet relevant werden geacht.

 

11)  De door Nivra onder de punten 19,  20 en 21 MvA geschetste voorgeschiedenis van de ledenvergadering,  verdient enige aanvulling.

a.     In het verzoek voor een extra ledenvergadering is uitdrukkelijk gevraagd dat te laten samenvallen met de gewone ledenvergadering van 14 december.  Welbewust echter heeft Nivra tot vlak voor Kerst gewacht met de sommatie om uiterlijk 5 januari 2007, 40 fysieke handtekeningen in te leveren in de wetenschap dat in die dagen dit fysiek onmogelijk is wegens vakanties en andere prioriteiten.

b.     Welbewust heeft Nivra bij voorbaat al aangegeven dat die agendapunten toch niet in stemming zouden worden gebracht, waardoor het verzamelen van handtekeningen  zinloos werd. 

c.      De stelling dat 40 fysieke handtekeningen nodig zijn omdat dit nu eenmaal op grond van de WRA als bewijs wordt geaccepteerd,  is ongegrond.  De WRA art. 8 stelt alleen dat “Het bestuur roept de ledenvergadering bijeen, zo dikwijls het zulks nodig oordeelt en voorts indien ten minste veertig leden van de Orde, onder opgaaf van de te behandelen punten, om haar bijeenroeping verzoeken.  De wijze van bewijsvoering daarvan zou bovendien onder accountants toch eigenlijk niet ter discussie mogen staan.

d.     De aantijging onder punt 20 MvA dat Nivra redenen had om te twijfelen aan de lijst van namen, is een onbewezen stoot onder de gordel. De email met de bedenking tevens oproep voor een extra vergadering was, zoals gebruikelijk,  net als bij eerdere mails over andere onderwerpen aan het bestuur Nivra, gericht aan alle bestuursleden Nivra.  De secretaris, mevrouw Boom was, zoals gebruikelijk, alleen correctheidshalve opgenomen onder de cc’s in die mail samen met alle ondertekenaars.

e.      Als er al enige reden voor twijfel zou zijn geweest, had Nivra toen wel een antwoord aan alle cc’s gericht om die twijfel te funderen.  Zij zou dat ook nu nog kunnen doen om de nu uitgesproken twijfel te substantiëren. Overigens zijn er in die periode verschillende mails tussen Spil en Nivra uitgewisseld die in bodemprocedure ingebracht zullen worden.  Die handelen over computerblokkades bij Nivra van mails van Spil. Er blijkt slechts één ondertekenaar te zijn die door een communicatiestoring weggehaald wilde worden bij de ondertekening van de bedenking tegen de VGC en voor de X-code.

f.      In bodemprocedure zal zonodig voor ieder van die ruim 40 “oproepers” de onderliggende mail-correspondentie worden overlegd.  Nivra heeft daar zelfs niet om gevraagd. De in de MvA nu opgevoerde oprechte twijfel is niet anders dan “pour besoin de la cause”.        

g.     Inzake de opmerking in punt 20 MvA dat Nivra elektronische communicatie niet heeft geaccepteerd, het volgende. Punt 4 van de MvG toont afdoende aan dat alle correspondentie over dit onderwerp per mail ging. Punt 4 van de MvG onderdeel g toont afdoende aan dat art. 2.15 AWB voorschrijft dat een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan verzonden kan worden voorzover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is.  Uit alle feitelijke gedragingen bleek dat Nivra als bestuursorgaan elektronische berichten in ontvangst wilde nemen.  Tenslotte schrijft art. 2:17 lid 2 AWB voor dat het bestuursorgaan een weigering van elektronische berichten zo spoedig mogelijk aan afzender mededeelt, quod non.

h.     De mededeling van Nivra onder haar punt 21 MvA slechts af en toe met Spil per email te communiceren en dat dezelfde brieven ook steeds per post zijn toegezonden, is aantoonbaar onwaar zoals in bodemprocedure via afdoend bewijsmateriaal overtuigend aangetoond zal worden.  Er is altijd per mail gecommuniceerd en slechts een enkele brief van Nivra is ook per post verzonden.        

 

 

Feitelijk verloop van de ledenvergadering (punten 22 tot 45 MvA)

 

 

12)  Met alle respect voor de indrukwekkende stroomschema’s in producties 4a en 4b bij MvA en alle uitvoerige citaten uit de notulen is de werkelijkheid heel anders dan wordt aangegeven onder de punten 22-45 MvA.  Het gestelde onder 35 en 36 MvA is wel juist. Inderdaad heeft op enig moment Nivra besloten de 5-dagen termijn te laten vervallen en   de site toen aangepast.  Ook is juist dat de voorzitter dit feit inderdaad op de ledenvergadering heeft medegedeeld.  Echter, het kwaad was toen al geschied.

 

13) In alle volmachtformulieren bleef de 5-dagen termijn staan. Ook in de agendastukken bleef de 5-dagen termijn staan in de Regelen ter Uitvoering van de Verordening op de Ledenvergadering.  Een ordelijke communicatie over een zo belangrijke wijziging op een zo belangrijk en nieuw onderwerp had met zich meegebracht dat in de wekelijkse  emails aan alle leden het vervallen van de 5-dagen termijn ordentelijk was gecommuniceerd.  Dat is echter niet het geval.  Zelfs in de laatste wekelijkse nieuwsbrief Nivra van 12 december staat  niets over volmachten.  Er zijn al zo weinig leden die hun stukken goed bestuderen. Van hen ook nog verwachten dat ze daarnaast de site dagelijks bijhouden attent op eventuele wijzigingen in een van die vele stukken,  is een bovenmenselijke opgave.  Daar zijn nieuwsbrieven nu eenmaal voor.  In aanvulling op het eerder gestelde in de MvA, moet daarnaast ook nog op het volgende worden gewezen.

 

14) Allereerst zijn voor aanvang van de vergadering veel incidenten voorgevallen waardoor een groot aantal leden hun stem niet uit konden brengen althans bemoeilijkt in hun pogingen een volmacht uit te brengen.  Dienaangaande geeft productie 2 een selectie van 12 toevallig beschikbare emails over dit onderwerp waarvan de afzenders zo vriendelijk waren dit aan Spil te mailen.  In afwachting van de bodemprocedure zijn deze mails min of meer bij toeval bij Spil in een mapje verzameld en verder niet georganiseerd of uitgediept.     Alleen deze kleine selectie toont al aan dat er wel erg veel is misgegaan: 

a)     Uit sommige emails blijkt dat de fax niet werkt,

b)    Uit sommige emails blijkt dat de online-registratie niet werkt,

c)     Uit sommige emails blijkt dat de mededeling over de 5 dagen termijn etc. er toe heeft geleid dat pogingen volmacht te verlenen zijn gestaakt of bemoeilijkt,

d)    Uit sommige emails blijkt dat aangemelde volmachten door Nivra niet zijn geregistreerd bij volmachtnemer.

 

Het is aannemelijk op grond van deze fractie van het totaal aan volmachten dat bij nader onderzoek in bodemprocedure over alle toegezegde volmachten die niet aankwamen bij de volmachtnemer, nog veel meer narigheid naar boven zal komen over veel grotere aantallen.

 

Ook de notulen geven al aan dat er wel erg veel is misgegaan zoals blijkt uit punt 10 dagvaarding. Onder punt 16 MvA wordt nog verwezen naar een onweersproken mededeling van de heer Van Engelen, dat met name op het online-gebeuren veel onregelmatigheden zijn gebeurd.  En er wordt gesproken over een aantal van 150 stemmen namens de groep Limperg die verloren zijn gegaan.  Opmerkelijk is ook dat in het hele betoog van Nivra over het verloop van de vergadering geen enkele van deze feiten wordt weersproken.  Onder die omstandigheden is onbegrijpelijk hoe de voorzieningenrechter tot de conclusie kan komen dat nog niet is gebleken dat de besluitvorming niet rechtsgeldig zou zijn verlopen. 

 

15)  Vervolgens moet er op worden gewezen dat vrijwel zeker in bodemprocedure het volgende aangetoond kan worden. Toen bij de stemming aan het begin van de vergadering over de verschuiving van agendapunt 3 naar achter agendapunt 7 bleek dat de oppositie meer stemmen had dan verwacht, hebben meerdere bestuursleden en bureau-medewerkers van Nivra, medewerkers van grote kantoren in Amsterdam opgeroepen te komen stemmen en 3 stemvolmachten mee te nemen. Dat handelen is evident strijdig met de onpartijdigheid en onbevooroordeeldheid die van bestuursorganen mag worden verwacht.

 

16) Tenslotte moet nog worden stilgestaan bij de 65 stemmen van Spil die verloren zijn gegaan.  De MvA geeft zeer uitvoerig aandacht hieraan onder punten 95-102 MvA.  Vanwege de overzichtelijkheid is daarom dit onderdeel behandeld onder punt  38) hierbeneden.  

 

 

Recente ontwikkelingen na totstandkoming van de VGC (punten 46 tot  52 MvA)

 

17)  Zoals Nivra onder punt 46 al aangeeft, zijn inderdaad door Nivra en NOvAA twee commissies in het leven geroepen met opdrachten waarvan bij voorbaat vast stond dat die niet konden leiden tot het door de SWA gewenste doel.  In de 6 discussiebijeenkomsten waarin overwegend sympathisanten van de SWA aan het woord waren,   is dit voldoende duidelijk naar voren gebracht.

 

18) Om te voorkomen dat deze geluiden in het bij Nivra gebruikelijke “due process” onder de mat worden geveegd, is inmiddels een nieuwe oproep uitgegaan voor een “bijzondere” ledenvergadering met 7 agendapunten.   Om juridische haarkloverij te voorkomen ditmaal fysiek ondertekend door meer dan 40 leden.  Om verder onnodig juridisch debat inzake het initiatiefrecht te voorkomen,  is ook een agendapunt ingebracht over het initiatiefrecht.  In deze motie wordt het bestuur opgedragen moties met voorstellen tot (wijziging van) verordeningen ingebracht met een opdracht aan het bestuur het voorstel, mits aangenomen, voortaan als ontwerp-verordening in de staatscourant te plaatsen.  Een ander agendapunt is een motie die de definitie van openbaar accountant in de VGC beperkt tot de AFM-ingeschreven kantoren alsmede de kantoren die een dergelijke status ambiëren.  Er is ook een agendapunt die de overheersende vertegenwoordiging in het Nivra-Bestuur van de Big-Four kantoren wil beperken tot een vertegenwoordiging evenredig aan de samenstelling van het ledenbestand.  Aan deze laatste motie is de vertrouwenskwestie verbonden.    


Vonnis voorzieningenrechter (punt 53 MvA)

 

 

19)  De stelling van Nivra onder punt 53 MvA dat geen sprake is van obstructie van de rechten van de SWA en ook geen strijd met hogere regelgeving, is een onnodige herhaling van woorden zonder nieuwe feiten. Gezien de feiten in de MvG en de feiten die blijken uit deze akte is deze stelling van Nivra onbegrijpelijk zoals hieronder verder toegelicht zal worden.

 

 

Grief 1  MvG (punt 54 tot 65 MvA): Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter geoordeeld dat niet zou zijn gebleken dat Eiser c.s. in de uitoefening van de hen toekomende rechten door het Nivra zou zijn gehin­derd en aldus oordelend heeft de Voorzieningenrechter de belangen van eiser  mis­kend.

 

20)  Onder punt 55 MvA onderschrijft Nivra het oordeel van de voorzieningenrechter  dat de eis bij dagvaarding om het Nivra-bestuur te verbieden te verhinderen dat de ledenvergadering zelfstandig kan besluiten om moties, verordeningen of amendementen in stemming te brengen,  vanwege zijn algemene strekking niet toewijsbaar is.  Om aan dat bezwaar tegemoet te komen is bij MvG deze eis subsidiair positief geherformuleerd.  Deze positieve formulering heeft in het geheel geen algemene strekking maar is een zeer concrete uitwerking van de leidende idee achter de VGC van de ontwerpers van de VGC: “Aan de gezamenlijke leden wordt de hoogste macht toegekend”, dus niet aan het Nivra-Bestuur.

 

21)  Naar de mening van Nivra onder punt 57 MvA gebruikt de SWA vooral stevige taal om de hinder te beschrijven in de uitoefening van hun rechten.  Uit grief 1 in de MvG blijken echter alleen verifieerbare feiten. Het argument van Nivra dat het wettelijke kader en het vereiste “due process”, nu eenmaal gegeven is en geen hinder kan veroorzaken is reeds afdoende weerlegt in de punten 1 tot 4 hierboven en in de MvG.

 

22)  Die hinder wordt extra bevestigd door de weigering van Nivra amendementen met de bedoeling de hele VGC te vervangen,  in  stemming te brengen zoals de NOvAA met gelijke regelgeving op dit punt wel deed.  Nivra kan alleen tot die conclusie komen met een zeer legalistische interpretatie.  Deze is in essentie gebaseerd op het feit dat het woord “recht van initiatief” toevallig nergens is genoemd.  Daarnaast claimt deze legalistische interpretatie dat simpele uitvoeringsverplichtingen van bestuursorganen of commissies meteen unieke prerogatieven zijn van dat bestuursorgaan of commissie ten detrimente van de bevoegdheden van de ledenvergadering als hoogste orgaan.   

 

23)  Voor de wederom door Nivra onder punt 59 MvA herhaalde stelling dat er geen ruim 40 handtekeningen zijn verzameld,  zij verwezen naar de feiten onder 11) hierboven.    

 

24) Voor de wederom door Nivra onder punt 60 MvA herhaalde stelling dat de bedenking van de meer dan 40 ondertekenaars wel degelijk bekend is gemaakt aan alle leden,  zij verwezen naar de feiten onder 8) en  9) hierboven.

 

25) Inzake het onder de punten 61 tot en met 63 MvA door Nivra gestelde dat Spil geen agendapunten heeft ingebracht, zij verwezen naar de feiten onder 11) hierboven.  Opmerkelijk is dat Nivra onder deze punten 61 tot en met 64  vergeet te vermelden dat het Nivra-Bestuur per mail en aangetekend schrijven vlak voor Kerst 2006 duidelijk heeft gesteld de door meer dan 40 leden aangedragen agendapunten niet op de agenda van een  ledenvergadering te willen zetten.  Het oproepen van een ledenvergadering met die agendapunten werd daardoor zinloos.

 

26) Het door Nivra gestelde onder punt 64 MvA dat Spil een motie zou hebben ingebracht over het “verordeningsrecht” van de ledenvergadering, lees recht van initiatief is ronduit merkwaardig.  Allereerst was het de heer Koolman die de motie inbracht.  Zie punt 4.j MvG voor de details. Nivra erkent dat deze motie niet in stemming is gebracht. Naar haar zeggen omdat het naar aanleiding van de notulen van de vergadering van 14 december 2006 werd aangevraagd en betrekking had op het “verordeningsrecht”, lees recht van initiatief.  Tegelijkertijd stelt echter Nivra onder punt 84 MvA onderaan dat het indienen van moties in zijn algemeenheid is toegestaan.  Kennelijk zijn moties in algemene zin toegestaan maar verboden als het onderwerpen betreft waarover de vergadering waarschijnlijk een ander oordeel heeft dan de voorzitter.  Overigens was de afwijzing gegrond op de mening van de notaris dat alleen moties inzake de orde van de vergadering konden worden toegelaten.          

 

 

27) De tussenconclusie van Nivra onder punt 65 MvA is dan ook onbegrijpelijk

 

 

 

Grief 2  MvG (punt 66 tot 85 MvA): Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter geoordeeld dat appellant geen belang meer zou hebben bij een veroordelend vonnis omdat Nivra toezeggingen zou hebben gedaan, welke tegemoet zouden komen aan de eisen.

 

 

28)  Het doet genoegen te zien dat Nivra onder punt 68 MvA nogmaals bevestigt dat alle kosten verbonden aan een ledenvergadering voor haar rekening zijn.  In de onder punt 18) hierboven reeds gereleveerde nieuwe oproep voor een “bijzondere” ledenvergadering in december is daarom expliciet gevraagd of daar ook onder vallen de kosten van een door de oproepers aan te stellen notaris.  Het antwoord moet nog worden afgewacht!  Het is om dit soort vergader-technische redenen dat eiser er groot belang aan hecht dat uit het vonnis duidelijk blijkt dat er inderdaad sprake is van vergoeding van alle kosten zodat een en ander afdwingbaar wordt bij achteraf discussies welke kosten wel en welke kosten uiteindelijk niet blijken te worden vergoed door Nivra.

 

29)  Het doet ook genoegen te zien dat Nivra onder punt 69 tot en met 71 MvA nogmaals bevestigt dat de toezeggingen van Nivra overeenkomen met eisen die blijken uit de ‘enigszins ingewikkelde verhandeling over de aspecten van het berichtenapparaat, berichtfrequentie, berichtwijze en berichtinmenging’ onder punt 10 MvG.  Uit de typering ‘enigszins ingewikkeld’ blijkt al enigszins dat discussie mogelijk is en naar eisers mening ook zeer waarschijnlijk.  De beschrijvingen van de gang van zaken in de voorfase van de ledenvergadering in december in punt 11) bovenstaan,  bij de bedenkingen in punt 9) bovenstaand,  bij de volmachten in de punten 13) tot en met 15) bovenstaand,  geven voldoende aanleiding om te veronderstellen dat er volop stof tot discussie zal zijn. Vandaar dat de eisen zo duidelijk mogelijk zijn gespecificeerd.  Eiser wil niet tijdens de aanloop naar een ledenvergadering geconfronteerd worden met gebrek aan medewerking van de zijde van Nivra om welke soort van communicatie dan ook te kunnen herstellen.  Indien tijdens de aanloop naar een ledenvergadering niet onmiddellijk al dan niet bewuste fouten van Nivra kunnen worden rechtgezet zonodig via  een kort geding, is die ledenvergadering bij voorbaat al verloren. Vandaar dat eiser er groot belang aan hecht dat uit het vonnis duidelijk blijkt dat de eis onder 3a en 3b MvA wordt toegewezen.

 

30)  In de punten 72 en tot en met 75 MvA voert Nivra een complex woordenspel ten tonele  over de aard van de toezeggingen van Nivra gedaan tijdens de zitting.  Alle toezeggingen van Nivra zoals door de voorzieningenrechter vastgelegd, zijn inderdaad weergegeven onder Grief 2 1e alinea MvG. Ze stonden immers op verschillende plaatsen bij de overwegingen van de voorzieningenrechter.  Dat is alleen overzichtelijk.  Het door Nivra gestelde onder punt 72 MvA dat alle toezeggingen daarmee zijn gerecapituleerd,  is dus juist. Ook tijdens de zitting was niet altijd even duidelijk welke toezegging op welk punt precies sloeg. De bedoeling van deze recapitulatie is alleen om zeker te stellen dat de toezeggingen duidelijk zijn en daarover overeenstemming bestaat. Het complexe woordenspel in de MvA over het hoofd van de grief en in welke alinea of met welke context in het vonnis een toezegging wel of niet zou voorkomen etc,  is  overbodig.  Het accentueert alleen maar dat over de verschillende toezeggingen van Nivra serieuze interpretatie-discussies zijn te verwachten.

 

31)   In bovenstaande punten 28), 29) en 30) is uiteengezet dat het wel mogelijk is dat  overeenstemming bestaat over de aard en de details van de toezeggingen van Nivra opgenomen onder Grief 2 1e alinea onder b en c MvG maar dat eiser desalniettemin groot belang heeft bij een vonnis inzake de huidige eisen 3a en 3b MvA om talloze interpretatierisico’s  te voorkomen.

 

32)  Dat leden moties en verordeningen of amendementen op be­staande ver­ordenin­gen of nadere voorschriften in stemming moeten kunnen brengen, heeft de voorzieningenrechter inderdaad afgewezen vanwege de algemene strekking. Omdat die simpele en duidelijk eis door haar negatieve formulering, misschien verkeerd werd begrepen, is de oorspronkelijk eis herhaald in de tweede eis bij MvA en subsidiair in 2a en 2b geherformuleerd in positieve zin.  Onder punt 20) hierboven is reeds uiteengezet dat de eis heel concreet is en dient om duidelijk te maken wie de hoogste macht heeft binnen Nivra, de ledenvergadering of het bestuur. De toezegging van Nivra daarover is inderdaad opgenomen onder Grief 2 1e alinea onder a MvG.  Uit de MvG blijkt echter al dat die toezegging inderdaad poly-interpretabel is en   ook het recht van initiatief omvat waar kennelijk tegengestelde opvattingen over blijven bestaan.  De politieke achtergrond van die tegengestelde opvattingen zijn toegelicht in het begin van deze akte.  Uit punt 18) hierboven blijkt dat inmiddels door meer dan 40 leden een nieuwe ‘bijzondere’ ledenvergadering is bijeengeroepen.  Een van de agendapunten is een motie inzake het initiatiefrecht. Daarin wordt aan de ledenvergadering voorgesteld te besluiten om het bestuur op te dragen moties met voorstellen tot (wijziging van) verordeningen ingebracht met een opdracht aan het bestuur het voorstel, mits aangenomen, voortaan als ontwerp-verordening in de staatscourant te plaatsen.  Dit is volledig in lijn met de toezegging van Nivra onder Grief 2 1e alinea onder a MvG die luidt: "Zoals door het Nivra ter zitting ook is toegezegd kan [eiser], met inachtneming van de geldende formali­teiten, agendapunten aanleveren en amendementen indienen." . De voorzieningenrechter heeft dit aangevuld  met zijn oordeel dat: “Zoals ook ter zitting besproken staat het [eiser] vanzelfsprekend wel vrij om -“ samen met tenminste 40 andere leden -“ de mogelijke invoering bij verordening van het recht van initiatief als agendapunt op de volgende vergadering te laten behandelen.”.  In dit agendapunt met een motie inzake het initiatiefrecht wordt het aan het Nivra-Bestuur overgelaten dit besluit desgewenst in een verordening te plaatsen.  Gezien de gebleken tegenstrijdige opvattingen over dit onderwerp, heeft eiser derhalve groot belang bij een vonnis zoals gevraagd onder 2 MvG.

 

33)  Onder punt 84 MvA merkt Nivra op dat het indienen van moties in het algemeen mogelijk is. Uit punt 26) hierboven dat handelt over punt 64 MvA wordt echter met een enkel voorbeeld toegelicht dat deze uitspraak van Nivra niet met feiten gestaafd kan worden. De enig mogelijke conclusie kan zijn dat moties in algemene zin mogelijk wel zijn toegestaan maar worden verboden als het onderwerpen betreft waarover de vergadering vermoedelijk een ander oordeel heeft dan de voorzitter.  Dit hangt samen met de visie vergaderorde van Nivra waar alle vergadertechnische besluiten bij de voorzitter c.q. het bestuur liggen. Via een motie stemming aanvragen over zijn besluiten wordt veelal niet toegestaan of moeilijk gemaakt met tal van argumenten. Veel leden denken dan ook anders over een democratische vergaderorde en hebben op de komende ‘bijzondere’ ledenvergadering een agendapunt over het motierecht ingediend die de macht weer teruglegt bij het hoogste orgaan de ledenvergadering.  Nivra heeft inmiddels een ontwerp-verordening ingediend die de rechten van de leden nog verder beperkt. 

 

34)  Gezien bovenstaande is de tussenconclusie van Nivra onder punt 85 MvA dan ook onbegrijpelijk.

 

 

Grief 3  MvG (punt 86 tot 94 MvA): Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter geoordeeld, dat de vordering om het Nivra Bestuur te verbieden te verhinderen dat de ledenvergadering zelfstandig kan besluiten om moties, verordeningen of amendementen in stemming te brengen we­gens haar algemene strekking niet toewijsbaar geacht en ten onrechte is die eis afge­wezen.

 

35)  Nivra voert onder de punten 86 tot en met 94 wederom complexe en soms onnavolgbare redeneringen ten tonele om aan te geven dat de voorzieningenrechter niet bedoeld kan hebben om de eventuele invoering van het recht van initiatief door het hoogste Nivra-orgaan, de ledenvergadering, te laten bepalen. Deels zijn deze redeneringen hierboven al afdoende weerlegd.  De tekst van de voorzieningenrechter is immers duidelijk: “Zoals ook ter zitting besproken staat het [eiser] vanzelfsprekend wel vrij om -“ samen met tenminste 40 andere leden -“ de mogelijke invoering bij verordening van het recht van initiatief als agendapunt op de volgende vergadering te laten behandelen.”.  Dat gaat dan ook gebeuren!  Dat de voorzieningenrechter daarnaast overweegt dat uit de toepasselijke wet en regelgeving niet volgt dat aan de ledenvergadering het recht van initiatief toekomt,  is alleen een gevolg van het feit dat de term ‘recht van initiatief’ inderdaad nergens voorkomt in wet en regelgeving.  Dat heeft verder geen consequenties zoals hieronder uiteengezet zal worden.     

 

36) De steeds onder de punten 86 tot en met 94 herhaalde stelling van Nivra  dat er geen recht van initiatief is mede omdat het gevraagde wegens haar algemene strekking niet toewijsbaar is, is onbegrijpelijk.  Bovenstaande uitlating van de voorzieningenrechter in het voorgaande punt is toch duidelijk genoeg. Terzijde nog een opmerking over de overweging in het vonnis “dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn redenering dat uit de omstandigheid dat het recht van initiatief niet wettelijk is uitgesloten, zou volgen dat de ledenvergadering dit recht toekomt”. Deze indruk die de voorzieningenrechter kennelijk heeft, kan eiser evenmin volgen want een dergelijke redenering is nimmer en nergens door eiser als zodanig gesteld.  Er is alleen gesteld dat tekstueel nergens uitdrukkelijk gesproken wordt over het recht van initiatief.   Dat is niet zo erg, want er wordt ook nergens gesproken over het motierecht dat toch kennelijk blijkt te bestaan, althans in zijn algemeenheid volgens Nivra.  Ook het interruptie-recht is nergens vastgelegd, maar dat bestaat ook. Nu we in Nederland eenmaal niet in een Angelsaksisch legalistisch systeem zitten, moet een en ander beoordeeld worden naar de oorspronkelijke bedoeling van partijen. Gebruikelijk is dan in Nederland het Haviltex criterium toe te passen (zie HR 13-3-1981, NJ 1981,635 en HR 8-4-1983, NJ 1983, 646).  Over de oorspronkelijk bedoeling van partijen is geen twijfel mogelijk. Die bedoeling is volgens haar ontwerpers uitdrukkelijk: “Aan de gezamenlijke leden wordt de hoogste macht toegekend.”. 

 

37)  Gezien bovenstaande is ook deze tussenconclusie van Nivra onder punt 94 MvA onbegrijpelijk.

 

Grief 4  MvG (punt 95 tot 102 MvA): Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het besluit over de VGC rechtsgeldig zou zijn genomen.

 

38)  Deze punten 95 tot 102 MvA bevatten slechts herhalingen van eerdere stellingen van Nivra.  Onder 98 en 99 wordt uitvoerig aangetoond dat Spil heel goed wist dat Nivra sprak over maximaal drie volmachten. Dat was inderdaad heel goed bekend. Juist daarom is ook heel goed nagedacht of die interpretatie van Nivra wel terecht was en of andere interpretaties zinvol en  relevant konden zijn.  De relevantie bleek pas toen circa 150 stemmen voor de oppositie bleken verloren te gaan.  Gezien de tijdsdruk hebben uiteindelijk slechts 65 leden tijdig hun volmacht kunnen bevestigen. De vraag of dit terecht was, moet beoordeeld worden aan de hand van het volgende:    

a.      Allereerst is hier sprake van een zeer belangrijke interpretatie van nieuwe regelgeving die een onbevooroordeeld bestuursorgaan aan de ledenvergadering ter beslissing had kunnen en moeten voorleggen.  Voor de goede orde zij herhaald dat het de notaris zelf was die impliciet bevestigde dat hier sprake was van een mogelijk extensieve interpretatie.  Die interpretatie was overigens naar zijn mening niet toegelaten.  Het is echter glashelder dat een dergelijke belangrijke uitspraak met grote gevolgen niet zomaar aan een willekeurige ingehuurde notaris overgelaten kan worden. Zij had aan het hoogste orgaan, de ledenvergadering, moeten worden voorgelegd, quod non.

 

b.     Toen Nivra de volmachtgevers van Spil adviseerde een andere volmachtnemer te zoeken, wist Nivra heel goed dat sprake was van een mogelijk extensieve interpretatie van regelgeving. Dat had Spil immer aan Nivra en aan al zijn volmachtgevers medegedeeld. Een onbevooroordeeld bestuursorgaan had het feit dat sprake was van een (niet door Nivra gedeelde) extensieve interpretatie aan de betreffende volmachtgevers moeten mededelen met de mededeling dat hierover in de vergadering wel gesproken en gestemd zou worden.   In plaats daarvan gaf het bestuursorgaan Nivra  de simpele instructie een andere volmachtnemer te zoeken. Nivra wist toen heel goed dat andere volmachtnemers niet meer beschikbaar waren.  Een beter bewijs van bevooroordeelde interventie door een bestuursorgaan in een democratisch proces kan bijna niet gevonden worden.

 

39) Ook overigens is gezien het feitenmateriaal aangedragen bij dagvaarding, MvG en hierboven inzake de volmachten en de wijze van (niet) presenteren van de bedenkingen,  de conclusie onder punt 102 MvA dat grief 4 niet slaagt onbegrijpelijk.

 

 

Grief 5  MvG (punt 103 tot 123 MvA): Ten onrechte is de Voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat evenmin aanne­melijk is geworden dat de VGC in strijd zou zijn met andere wet- en regelgeving.

 

40)  Hieronder worden uiteengezet dat er inderdaad sprake is van onmiskenbare onverbindendheid van de VGC.

 

41) Het is een feit van algemene bekendheid dat het een kernpunt uit het post-Enron debat was hoe te voorkomen dat wettelijke controleurs verstrikt raken in hun commerciële  belangen in nevenactiviteiten bij dezelfde cliënt.  Vandaar dat  Richtlijn 2006/43/EG van 17 mei 2006 heel opzettelijk een zeer ruime netwerkdefinitie kiest net als Ifac al eerder.  Het mag immers niet zo zijn dat een wettelijk controleur via haar belasting, consultancy, corporate finance advies etc. onderdelen,  beïnvloed kan worden in haar controletaken (Anderson).

 

42) Nu uitgerekend Nivra, hoedster van het accountantsbestel in Nederland, na aanvankelijke ontkenningen in eerste instantie, glashard in haar MvA onder de punten 105,  106 en 111 blijft stellen dat er geen strijdigheid bestaat met de netwerkdefinitie in de VGC en Richtlijn 2006/43/EG, is het nodig dit verder toe te lichten dan in eerste instantie en bij de MvG.

 

43) De toelichting onder punt 11 van de Richtlijn 2006/43/EG stelt in essentie: Om de onafhankelijkheid van wettelijke auditors te kunnen bepalen, dient het begrip "netwerk" waarvan wettelijke auditors deel uitmaken, duidelijk te zijn. In dit verband dienen verscheidene omstandigheden in aanmerking te worden genomen, zoals gevallen waarin een structuur als netwerk kan worden gedefinieerd omdat deze op winst- of kostendeling gericht is. De criteria om aan te tonen dat er sprake is van een netwerk, dienen aan de hand van alle bekende feitelijke omstandigheden, zoals het bestaan van gezamenlijke vaste cliënten, te worden beoordeeld en afgewogen.

 

44) Richtlijn 2006/43/EG geeft onder 7 als definitie 7. "netwerk": de grotere structuur:

-        die op samenwerking is gericht en waartoe een wettelijke auditor of een auditkantoor behoort, en

-        die duidelijk is gericht op winst- of kostendeling, of het delen van gemeenschappelijke eigendom, zeggenschap of bestuur, een gemeenschappelijk beleid en procedures inzake kwaliteitsbeheersing, een gemeenschappelijke bedrijfsstrategie, het gebruik van een gemeenschappelijke merknaam of een aanzienlijk deel van de bedrijfsmiddelen;  Het woord ‘waartoe’ is heel duidelijk en kan niet anders betekenen dan de hele groep in de brede zijn van het woord. 

 

45) Art. 1 van de WTA luidt (ongewijzigd):  "accountantsorganisatie: een onderneming of instelling die bedrijfsmatig wettelijke controles verricht, dan wel een organisatie waarin zodanige ondernemingen of instellingen met elkaar zijn verbonden;".   Het woord ‘zodanige’ is heel duidelijk en kan niet anders betekenen dan alleen andere wettelijke controleurs. Het begrip netwerk komt overigens  in de WTA zelf niet voor maar is alleen gedefinieerd in het Besluit WTA.  Daardoor is de netwerk-definitie beperkt tot accountantsorganisaties.  Door het woord “zodanige” in de definitie van accountantsorganisatie,  is de inhoud van het begrip accountantsorganisatie heel beperkt geworden en bovendien “manipuleerbaar”. De definitie van accountantsorganisatie in de VGC onder Definities onder e,  is identiek met die in de WTA.  Net als in de WTA is ook in de VGC zelf het woord netwerk niet gebruikt maar wel in de uitvoeringsverordeningen van de VGC. 

 

46) Bovenstaande maakt duidelijk dat de betekenis van de WTA in belangrijke mate wordt ondermijnd door het woord “zodanige” in de definitie van accountantsorganisatie in art. 1 WTA onder weglating van de netwerkdefinitie die slechts voorkomt in het Besluit WTA.  Als gevolg daarvan is de onafhankelijkheidsrichtlijn beperkt tot een juridisch “manipuleerbare” entiteit.  Het is ook duidelijk dat de huidige zeer beperkte WTA-definitie van accountantsorganisatie wel degelijk toelaat dat belasting, consultancy, corporate finance advies etc. onderdelen, vrolijk buiten het netwerk worden gedefinieerd via het Besluit WTA.  Dit is in strijd met de essentie van de post-Enron regelgeving.

 

47) Hoe een dergelijke netwerk-definitie het bureau van het Ministerie van Financiën heeft kunnen passeren, de Raad van State en het parlement, is onduidelijk. Als verontschuldiging kan misschien gelden dat de eerste ontwerpen van de WTA al voor 17 mei 2006 op tafel lagen. Er is inmiddels een wijzigingsvoorstel WTA onderweg.  Daarin was de nieuwe definitie van netwerk in Richtlijn 2006/43/EG nog niet geïmplementeerd. Naar aanleiding daarvan heeft de SWA en haar zusterorganisatie bij de NOvAA,  de WMO aan  het Ministerie van Financiën een brief geschreven.  

 

48) Wat daarvan ook moge zijn, de verdediging van Nivra dat nu eenmaal de WTA-definitie is gevolgd en er dus geen probleem bestaat,  is onvoldoende.  Richtlijn 2006/43/EG is nu eenmaal de hogere richtlijn.  Weliswaar wordt onder punt 108 MvA terecht gesteld door Nivra dat Richtlijn 2006/43/EG c.q de achtste richtlijn alleen (rechts)personen betreft die wettelijke controle mogen uitvoeren maar het is wel degelijk de bedoeling het gehele netwerk van die (rechts)personen bij die onafhankelijkheidsrichtlijn te betrekken gezien de wijze lessen uit het Enron etc. debacle. Mochten er na bovenstaande nog twijfels kunnen bestaan  dan ligt,  gezien het grote belang van dit onderwerp,  een verzoek aan het Europese Hof zich uit te spreken over de juiste interpretatie van Richtlijn 2006/43/EG voor de hand.  Dit antwoord lijkt overigens voor de hand te liggen.

 

49)  Inzake het subsidiaire verweer van Nivra onder punt 112 MvA dat richtlijnconforme interpretatie niet aan de orde zou zijn etc., voert het nu te ver alle bestaande arresten hierover in detail te analyseren.   Voor de goede orde citeren we daarom alleen de laatst bekende overweging van de Hoge Raad over dit onderwerp uit haar jongste arrest LJN: AZ3758, Hoge Raad , 43169 d.d 10-08-2007: ”3.4. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat de nationale rechter bij de toepassing van bepalingen van nationaal recht, ongeacht of zij van eerdere of latere datum dan de richtlijn zijn, deze zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen van een op het betrokken gebied geldende richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249, derde alinea, EG te voldoen (zie de arresten welke zijn aangehaald in de onderdelen 5.3 - 5.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).   Dit brengt mee dat de nationale rechter bij de uitlegging en toepassing van het nationale recht ervan moet uitgaan dat de staat de bedoeling heeft gehad ten volle uitvoering te geven aan de uit de betrokken richtlijn voortvloeiende verplichtingen (HvJ EG 16 december 1993, Wagner Miret, C-334/92, Jurispr. blz. I-06911).  In het licht van deze overweging is de conclusie van Nivra onder punt 112 MvA dat  richtlijnconforme interpretatie niet aan de orde is, volstrekt onbegrijpelijk.

 

50) Vervolgens werpt Nivra onder punt 113 MvA de vraag op wat richtlijnconforme interpretatie de SWA zou opleveren.  Suggestief wordt de lezer op het verkeerde been gezet door de argumentatierichting van Nivra dat een bredere definitie ook het begrip openbaar accountant zou verbreden.  Dat is onjuist. Het zorgt er alleen voor dat accountants die lid zijn een netwerk waarin ook wettelijke controle wordt verricht,  aan de regelgeving voor openbaar accountants worden onderworpen.

 

51) Overigens is de vraag van Nivra wat richtlijnconforme interpretatie de SWA zou opleveren heel eenvoudig te beantwoorden.  Uiteraard hebben de leden van de SWA als burger belang bij een juiste toepassing van de post-Enron regelgeving op dit punt met name de juiste toepassing van de onafhankelijkheidsrichtlijn.  Als registeraccountants hebben ze echter een veel groter belang.  Als gevolg van de bestaande definitie van accountantsorganisatie in de VGC onder Definities onder e, hebben alle registeraccountants die toevallig werkzaamheden verrichten zoals belastingadvies,  management-consultancy in allerlei vormen, interim-management,  administratieve dienstverlening,  corporate finance advies etc.,  met grote concurrenten te maken  die door het simpele feit dat zij niet perse registeraccountants in dienst hoeven te hebben voor diezelfde werkzaamheden, vrijgesteld zijn van alle accountancy-regelgeving en toch kunnen opereren onder de naam en met de uitstraling van dat grote accountantskantoor. 

 

Diezelfde grote concurrenten hebben echter ook een groot belang om de omvang van hun audit-tak van sport zo klein mogelijk te maken om de gevolgen van de onafhankelijkheidsrichtlijn en het toezicht AFM te beperken.  Daarnaast hebben diezelfde grote concurrenten ook een natuurlijk belang om via Nivra de druk van regelgeving voor veelal kleinere accountants zo groot mogelijk te maken.  De problemen die daaruit voortvloeien kunnen eenvoudig worden aangetoond met een specifieke groep van accountants, de zogenaamde “samenstellers”  die administratieve dienstverlening geven aan MKB-ondernemingen.  De bewijsvoering hiervoor zal hieronder bij punt  53) worden geïllustreerd met uitspraken van Nivra zelf.  Datzelfde mechanisme bestaat sinds de invoering van de VGC voor alle takken van sport waaraan accountants zich kunnen bezondigen. 

 

52)  De stelling van Nivra onder punt 114 MvA dat Ifac haar definitie van netwerk inmiddels heeft aangepast is juist.  Materieel is er echter geen verschil.  Uit de toelichting van Ifac op die wijziging wordt het grote belang van een zo breed mogelijke definitie van onafhankelijkheid juist extra benadrukt.  Waarom afwijking van die definitie zo problematisch is, hoeft na bovenstaande niet verder te worden aangetoond.       

 

53) Onder punt 115 MvA stelt Nivra wederom dat niet wordt onderbouwd hoe en waarom artikel 6 Mededingingswet zou zijn geschonden. In punt 51) hierboven is aangegeven hoe het mechanisme werkt.  Hoe dat mechanisme feitelijk uitpakt zal worden geïllustreerd met de volgende twee citaten van Nivra zelf:

  1. Publicatie van Nivra d.d 16 juni 2006 over het starten van een kwaliteitsoffensief - Het Koninklijk NIVRA ontwikkelt een pakket maatregelen om de kwaliteit van kleine accountantskantoren te verbeteren. Aanleiding is het jaarverslag van het College Toetsing Kwaliteit (CTK), waaruit blijkt dat deze categorie kantoren ernstige problemen ondervindt bij het invoeren van de aangescherpte kwaliteitsnormen.  Naast de maatregelen voor kwaliteitsverbetering bereidt het NIVRA tuchtprocedures voor tegen dertien kantoren. Het betreft hier accountantskantoren die na een hertoetsing niet voldoen aan de vereiste kwaliteitsnorm.  Uit het recente CTK-verslag blijkt dat ongeveer 30% van de accountantskantoren niet voldoet aan de gestelde kwaliteitsnormen. Dit is een achteruitgang in vergelijking met vorig jaar, toen 23% van de kantoren niet voldeed. Het overgrote deel van de bij de getoetste kantoren werkzame registeraccountants (96%) is overigens in dienst van kantoren die daaraan wel voldoen.  NIVRA-directeur Gert Smit acht het percentage kantoren met een onvoldoende onacceptabel hoog. "De kwaliteit moet omhoog, vooral bij de kleinere kantoren, en als beroepsorganisatie zullen we daar de nodige ondersteuning aan gaan verlenen. Tegelijkertijd moet je je afvragen of een heel klein kantoor nog wel in staat is te voldoen aan de steeds hogere kwaliteitsnormen die aan het beroep worden gesteld.  Uit het verslag van het CTK blijkt dat met name de invoering van de kwaliteitsrichtlijn RKB1 op grote problemen stuit. Slechts 1/3 van de onderzochte kantoren voldoet volledig aan deze richtlijn, die o.a. verplicht tot een gedetailleerde vastlegging van het stelsel van kwaliteitsbeheersing. Beoogd toezichthouder AFM heeft gesteld de naleving van deze richtlijn centraal te stellen bij het proces van vergunningverlening.”  Uit simpele sommetjes blijkt dat vele honderden kantoren hun lidmaatschap van Nivra zullen moeten opgeven omdat die richtlijnen en de interpretatiewijze daarvan voor kleiner kantoren doodeenvoudig niet uitvoerbaar zijn.  Opgemerkt zij dat er geen Ifac-regel is die voorschrijft dat RKB1 en de bijbehorende COS-regels op dit soort kantoren ‘samenstellers’ van toepassing zijn.  Onder de druk van de oppositie heeft inmiddels Nivra dat ook zelf toegegeven en de toetsingen voorshands opgeschort.
  2. In de laatste brancheverkenning 2006-2007 uitgegeven door Nivra staat in een artikel met als kop: Wet- en regelgeving leidt tot tweedeling in accountantsland, op pagina 11 het volgende: Het lijkt onvermijdelijk dat een deel van de kantoren niet zal of wil voldoen aan de nieuwe eisen. Het is bijvoorbeeld tekenend dat de Raad van Toezicht van de NOvAA onlangs constateerde dat 43 % van de getoetste kantoren niet voldeed aan de eisen.  De belangrijkste oorzaak daarvan is dat deze veelal kleine kantoren opereren in een marktsegment dat geen behoefte heeft aan een kwalitatief hoogwaardige controle.  Toetsingen hebben bij kleine(re) kantoren vooral betrekking op samenstellingsopdrachten. Deze kantoren kunnen het zich dan ook bedrijfseconomisch niet veroorloven om de uitgebreide eisen adequaat te implementeren. Een deel van de betrokken accountants zal zich dan ook de komende jaren uitschrijven uit  het accountantsregister en daarmee kiezen als een bestaan als administratiekantoor.      Het is een navrante constatering dat al deze kantoren daarmee hun presentatie en uitstraling als registeraccountant zullen verliezen terwijl hun grote collega’s als gevolg van de bestaande netwerkdefinitie hun afdelingen voor administratieve dienstverlening onder eigen naam en met de uitstraling van een groot registeraccountantskantoor kunnen voortzetten zolang ze maar geen registeraccountants in dienst hebben die voor dit werk ook niet nodig zijn.        

De stelling van Nivra onder punt 115 MvA dat de SWA niet onderbouwt hoe art. 6 Mededingingswet zou zijn geschonden, is met bovenstaande feiten voldoende weerlegt.  Overigens acht art. 6 Mededingingswet het bestaan van een concurrentiebeperkende afspraak voldoende.  De feitelijke concurrentienadelen van die afspraak hoeven niet te worden aangetoond. 

 

54)  De stelling van Nivra onder punt 116 MvA niet te kunnen volgen waarom grote kantoren een kostenvoordeel zouden kunnen realiseren, kan het beste als volgt worden uitgelegd aan iemand die het niet wil begrijpen. Het Nivra-citaat onder b van het voorgaande punt: Deze kantoren kunnen het zich dan ook bedrijfseconomisch niet veroorloven om de uitgebreide eisen adequaat te implementeren, toont aan dat aan uitgebreide eisen nu eenmaal kosten hangen die een onderneming zich niet altijd bedrijfseconomisch kan veroorloven.  Grote kantoren kunnen dank zij de VGC in alle marktsegmenten afdelingen onder de naam en met de uitstraling van dat grote accountantskantoor laten werken zonder uitgebreide eisen wanneer die uitgebreide eisen in dat marktsegment bedrijfseconomisch niet haalbaar zijn. Kleine kantoren kunnen dat niet.  Zo simpel is het!

   

55) De stelling van Nivra onder punt 117 MvA dat de VGC in het voorbereidingstraject is voorgelegd aan de NMA en dat deze geen bezwaren had tegen de inhoud daarvan, is simpelweg onwaar.  Dit blijkt uit de bijgevoegde produktie 3 waarvan wij slechts de aanhef citeren: “De NMa heeft tijdens de consultatieronde van Nivra enkele kanttekeningen gemaakt bij de VGC. Deze betreffen geen van alle het door u aan de orde gestelde punt. Er is door ons nooit enige verklaring van geen bezwaar of goedkeuring oid afgegeven; hiervoor bestaat ook geen rechtsgrond.    Waarvan akte!

 

56)  Onder punt 118 MvA herhaalt Nivra de op zich juiste maar overbodige stelling dat het iedere onderneming vrijstaat de activiteiten te verrichten waarvoor zij kiest. Vervolgens herhaalt Nivra de stelling dat de SWA haar stellingen niet feitelijk onderbouwt.  Herhaald zij hier dat art. 6 Mededingingswet het bestaan van een concurrentiebeperkende afspraak voldoende acht.  De feitelijke concurrentienadelen van die afspraak hoeven niet te worden aangetoond.   Met bovenstaande is overigens voldoende feitelijke onderbouwing gegeven.

 

57)  Dat de uitoefening van het eigendomsrecht aan zekere beperkingen onderhevig is moge duidelijk zijn. In tegenstelling tot de mening van Nivra onder punt 119 MvA, wordt bij de VGC de “fair balance” en de “margin of apprecation” veruit overschreden indien zonder aantoonbare noodzaak door een zeer beperkt aantal belanghebbende grotere openbare accountantskantoren onder onduidelijke omstandigheden de stringente regels van openbare accountants worden opgelegd aan het veruit grootste gedeelte van alle accountants die hun titel vooral als opleidingstitel zien en in hun eigen ogen, die van hun cliënten en het publiek, hun activiteiten niet als activiteiten van openbare accountants ervaren.

 

58) Onder punt 120 MvA poneert Nivra de stelling dat regels in het algemeen belang gesteld geen individuele en buitensporige last kunnen veroorzaken.  Dit moge misschien heel in zijn algemeenheid waar zijn. In concreto spelen in dit geval echter meerdere afwegingen alvorens de vraag te moeten beantwoorden of wel sprake is van een individuele en buitensporige last:

  1. Ten eerste de afweging of er wel sprake is van een openbaar belang als de stringente regels van openbare accountants worden opgelegd aan het veruit grootste gedeelte van alle accountants die hun titel vooral als opleidingstitel zien en in hun eigen ogen, die van hun cliënten en van het publiek, hun activiteiten niet als activiteiten van openbare accountants ervaren.
  2. Vervolgens komt afweging of het openbaar belang in dit geval geen vorm van een verboden mededingingsafspraak is.
  3. Tenslotte komt de afweging of Nivra’s interpretatie van regelgeving met name de netwerk-definitie wel in overeenstemming is met hogere wetgeving.

Omdat die vragen al voorliggen in het onderhavige geschil, heeft de stelling van Nivra dat regels in het algemeen belang geen individuele en buitensporige last veroorzaken, geen betekenis.

 

59) Onder punt 121 MvA herhaalt Nivra haar pleidooi in eerste aanleg dat de VGC buitenlandse accountants niet met dubbele regelgeving confronteert en er dus geen sprake is van verboden discriminatie. Terecht gaat Nivra in haar punt 122 MvA door op art. 14 van Richtlijn 2006/43/EG (8e Europese Richtlijn)  dat uitdrukkelijk bepaald dat naast de verklaring van vakbekwaamheid  geen andere regels mogen worden opgelegd. Met het woord  ‘geen andere regels’ kan niet anders zijn bedoeld zijn dan ‘andere regels’, dus ook geen aanvullende regels zoals de VGC,  permanente educatie etc.  Immers, de Richtlijn verplicht iedere lidstaat ook al om al dergelijke regels te implementeren voor de bij haar ingeschreven wettelijke controleurs.   Het verbod op ‘andere regels’ van Richtlijn 2006/43/EG (8e Europese Richtlijn) was uitdrukkelijk bedoelt om te voorkomen dat lidstaten bij grensoverschrijdende gevallen via nationale ‘andere regels’,  grensoverschrijding bemoeilijken.  Mochten er na bovenstaande nog twijfels kunnen bestaan  dan ligt  een verzoek aan het Europese Hof zich uit te spreken over de juiste interpretatie van Richtlijn 2006/43/EG op dit punt voor de hand.  Bij die vraag kan dan meteen worden meegenomen de vraag of die basisregel van Europees recht ook niet van toepassing is op accountants die geen wettelijk controleur zijn.  Op hen is Richtlijn 2006/43/EG weliswaar niet van toepassing maar art 14 van Richtlijn 2006/43/EG is niets anders dan een concrete toepassing van de algemene beginselen van Europees recht. Het antwoord lijkt overigens voor de hand te liggen.  Hiermee staat de verboden discriminatie vast.

60) Gezien bovenstaande is de conclusie van Nivra onder punt 123 MvA dat grief 5 niet slaagt onbegrijpelijk. De netwerkdefinitie van de VGC is in strijd met Richtlijn 2006/43/EG (8e Europese Richtlijn),  er is sprake van concurrentiebeperkende afspraken en er is sprake van verboden discriminatie. 

 

 

Grief 6  MvG (punt 124 tot 129 MvA): Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter geen rekening gehouden met het beginsel van rechtszekerheid en aldus rechtsonzekerheid bevorderd door de vordering om de VGC en haar belangrijkste uitvoeringsbesluiten voorlopig niet van toepassing te verkla­ren voor die accountants, die geen wettelijke controles uitvoeren.

 

 

61)  De stelling van Nivra onder haar punten 124 tot 127 komt er op neer dat de  SWA niet kan lezen, dat de VGC een keurige set definities geeft en dat definities nu eenmaal niet veel preciezer worden opgesteld.  Allereerst moet worden opgemerkt dat Nivra wel een definitie van “assuranceopdracht” geeft maar vergeet te vermelden dat iemand ook openbaar accountant kan worden door een “aan assurance verwante opdracht” of door een ‘overige opdracht’.  Daarvan geeft Nivra gemakshalve naar geen definities meer.

 

62) De definitie van aan assurance verwante opdrachten in de VGC luidt als volgt: de opdracht tot het samenstellen van financiële informatie en de opdracht tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden met betrekking tot financiële informatie, zoals bedoeld in de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden.  Die Nadere voorschriften controle- en overige standaarden verwijzen weer naar allerlei andere handboeken met voorschriften. 

 

63) De definitie van “overige opdracht” in de VGC luidt: overige opdrachten: de door een registeraccountant voor een cliënt bedrijfsmatig uitgevoerde professionele diensten, bestaande uit andere dan assuranceopdrachten of aan assurance verwante opdrachten, voor zover geen sprake is van opdrachten uitgevoerd als interim-manager bedoeld in artikel C-300.1, onderdeel b. De betekenis van het begrip ‘overige opdracht’ is pas duidelijk als het begrip ‘accountantskantoor’ duidelijk is. Hieronder wordt verstaan:  de organisatorische eenheid waarbinnen één of meer registeraccountants voor een cliënt bedrijfsmatig professionele diensten verrichten, bestaande uit assuranceopdrachten of aan assurance verwante opdrachten en eventueel overige opdrachten  Let op de ‘of’ en de ‘en’ in deze laatste definitie. Afhankelijk van de betekenis die daaraan wordt toegekend, wordt een accountant met een ‘overige opdracht’ wel of geen openbaar accountant als hij geen ‘aan assurance verwante diensten’ aanbiedt. Nivra is van mening dat bedoeld is het samengaan van een ‘aan assurance verwante dienst’ met een ‘overige opdracht’.  De vraag is of een derde bijv. een tuchtrechter dat ook zo altijd ziet.

 

64) Is de eerste definitie van “assuranceopdracht” al complex en vaag, dan wordt de tweede nog complexer en vager.  Om het geheel van definities volstrekt duidelijk te maken, is er dan nog de categorie ‘overige opdracht’ die per definitie wel erg ruim is en waardoor iemand ook meteen openbaar accountant kan worden.  Om het beeld compleet te maken zijn er daarnaast “Nadere Voorschriften” die weer verwijzen naar een handboek COS-regels geheten (voorheen RAC en ontleend aan de IAASB-standaarden), die ook weer allerlei definities en voorschriften geven voor allerlei deelactiviteiten die zouden kunnen vallen onder een van die begrippen “assuranceopdracht”, “aan assurance verwante opdracht” en ‘overige opdrachten’.   In de praktijk worden die definities uit die handboeken soms gebruikt om sommige definities van de deelbegrippen “assuranceopdracht”, “aan assurance verwante opdracht” of  ‘overige opdracht’, duidelijker te maken.    

 

65) Zonder iemand met al die handboeken en regels in detail lastig te vallen, zal zelfs een  niet-jurist begrijpen dat met die ingewikkelde deelbegrippen “assuranceopdracht”, “aan assurance verwante opdracht” of  ‘overige opdracht’, iedereen te pas en te onpas “openbaar accountant” kan worden, afhankelijk van de min of meer willekeurige betekenis die daar op enigerlei moment in enigerlei situatie aan kan worden gegeven.  Dat heeft wel grote gevolgen want op dat moment blijkt dat allerlei regelgeving van toepassing kan worden uit al die handboeken die de accountant en ook zijn cliënt nooit zal hebben verwacht of gewild.  Op dat moment ontstaat een probleem. Niet alleen de toepasselijke regelgeving blijkt dan onduidelijk, ook de contributiegrondslag is onduidelijk, de toetsingsverplichtingen, de permanente educatieverplichtingen etc.   De oorzaken van dat probleem zijn de volgende:

a.      De VGC is geschreven door openbare accountants en niet door juristen

b.     Alle openbare accountants zweren van oudsher bij de regelgeving van de IAASB die alleen is geschreven voor openbare accountants en in Nederland vertaald is als COS, voorheen RAC. Die begrippen uit de regelgeving IAASB zoals ‘overige opdrachten’ zijn nog een beetje begrijpbaar vanuit het perspectief van een echte openbare accountant.   Kleine nuances in interpretatie maken ook niet zo veel verschil voor hen als openbaar accountant.   Op een ondoordacht moment is echter besloten in de VGC al die IAASB/COS begrippen in zijn algemeenheid te gaan gebruiken als definitie van openbaar accountant.

c.      Het gevolg is dat iedereen die geen openbaar accountant was, en dat zijn veruit de meeste leden van Nivra,  en (per ongeluk) een taak (er bij ) doet die ook in het werkterrein van openbare accountants kan vallen  of  onder enigerlei IAASB(COS) standaard zou kunnen vallen, ook openbaar accountant wordt.

d.     Of de “echte” openbare accountants dat echt zo bedoeld hebben is onduidelijk.  Feit is wel dat voor hen deze welbewuste uitbreiding van het begrip openbaar accountant zakelijk wel interessant is want allerlei IAASB(COS) regelgeving op deelgebieden die niet tot de kerntaak van wettelijk controleur behoren, wordt daardoor ook van toepassing op alle registeraccountants.

 

Feitelijk betekenen bovenstaande definities van de VGC praktisch:

a.      dat het iedere accountant niet zijnde een openbaar accountant verboden is op straffe van openbaar accountant worden,  een conclusie te trekken waar een derde bij is betrokken, zelfs indien hij die conclusie op een deugdelijke grondslag baseert.

b.     dat het iedere accountant niet zijnde openbaar accountant  verboden is op straffe van openbaar accountant worden, enigerlei werkzaamheid voor derden te verrichten met betrekking tot financiële informatie, zoals bedoeld in de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden

c.      dat het iedere accountant niet zijnde openbaar accountant het mogelijk verboden is op straffe van openbaar accountant worden, enigerlei overige opdracht voor derden te verrichten.  Aangezien accountants van nature zich graag bemoeien met financiële informatie, de Nadere Voorschriften en de bijbehorende handboeken zeer regelmatig veranderen en de betekenis van “of ” en “en” bij de definitie van accountantskantoor onduidelijk is, is sprake van volstrekte onduidelijkheid.      

Het loutere feit dat bovenstaande evident logische conclusies naar alle waarschijnlijkheid door Nivra zullen worden weersproken, zegt genoeg over de duidelijkheid van de definities.     

 

66) Volgens Nivra onder haar stelling 128 MvA toont de SWA niet aan welke problemen zich in de praktijk zouden kunnen voordoen. Die problemen zijn hierboven uitvoerig geschetst.  Als randvoorwaarde stelt Nivra dat ook nog moet worden aangetoond dat die problemen zodanig ernstig zijn dat buiten toepassing laten van de VGC voor niet-wettelijke controleurs daardoor wordt gerechtvaardigd. Die randvoorwaarde is makkelijk te vervullen.  Het niet van toepassing verklaren van de VGC voor niet-wettelijke controleurs betekent geen materieel verschil want zoals uit de eis blijkt wordt op dat moment het oude GBR weer van kracht.  Het beginsel van de rechtszekerheid dient te zegevieren.

 

67) De stelling van Nivra onder haar punt 129 MvA dat de zesde grief niet slaagt is hiermee afdoende weerlegt.

 

Grief 7  MvG (punt 130 tot 131 MvA): Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter nagelaten om de VGC en haar belangrijk­ste uitvoeringsbesluiten niet van toepassing te verklaren

 

68)  Deze grief hoeft inderdaad niet verder te worden besproken zoals Nivra al aangeeft.  De conclusie van Nivra dat grief 7 niet slaagt is echter ongefundeerd zoals blijkt uit bovenstaande. 

 

Grief 8  MvG (punt 132 tot 136 MvA): Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter de vordering tot het beschikbaar stellen van een deel van de website van Nivra aan appelanten afgewezen.

 

 

69)  Het doet genoegen te zien dat Nivra onder punt 135 MvA nu bevestigt dat er sowieso sprake zal zijn van een goede informatievoorziening via (de website) van Nivra. In herinnering wordt gebracht dat Nivra de informatievoorziening inzake de  bedenkingen en de volmachten ook goed noemde terwijl daar ook heel andere meningen over denkbaar zijn. Daarnaast geeft het op een website duidelijk iets plaatsen sowieso altijd een ingewikkelde discussie over frames, pixeldichtheden, screenformaten etc.  Daarboven op komt dan nog de mogelijke discussie over de precieze betekenis van door meer dan 40 leden aangesneden onderwerpen die zullen worden geregistreerd en behandeld als ieder ander onderwerp van aandacht bij een ledenvergadering.

 

70)  Het is om dit soort technische redenen gevoegd naast een zekere twijfel over een mogelijk verschil tussen wil en daad in de uitvoering bij Nivra dat eiser er groot belang aan hecht dat uit het vonnis duidelijk blijkt dat er inderdaad sprake is van goede informatievoorziening via (de website) van Nivra middels de bij alle ledenvergaderingen gebruikelijke  banner of hyperlink op de linker zijde van de Home-Page van Nivra en verder dat de door die meer dan 40 leden aangesneden onderwerpen zullen worden geregistreerd en behandeld als ieder ander onderwerp van aandacht, zonder nodeloze inhoudelijke en/of technische beperkingen van Nivra-zijde.

 

CONCLUSIE

 

Met bovenstaande is afdoende aangetoond dat alle grieven gegrond zijn.  Eiser verzoekt daarom dan ook uw Hof te vonnissen zoals bij Memorie van Grieven gevraagd.    

 

 

 

 

Procureur.

 


 

PRODUKTIE 1.1: Screenprint 1 Ledenvergadering 12 december 2006

 


PRODUKTIE 1.2: Screenprint 2 Ledenvergadering 12 december 2006


PRODUKTIE 1.3: Screenprint 3 Ledenvergadering 12 december 2006

 


PRODUKTIE 1.4: Screenprint 4 Ledenvergadering 12 december 2006

 


PRODUKTIE 2: volmachtproblemen

Email nr. 1: fax werkt niet

Subject: RE: [Fwd: Ja, ik ben een wakkere RA!]

From: Krijn Leentfaar <krijn.leentfaar@leentfaarscharroo.nl>

Date: Wed, 13 Dec 2006 21:51:55 +0100

 

To: "'C.B.A. Spil'" <corneel.spil@finiconsult.com>

Geachte collega,

Alsnog getracht het machtigingsformulier over de fax in Amsterdam te krijgen, echter (nog) niet gelukt. U bent bij deze gemachtigd om zo mogelijk namens mij te stemmen.

Met vriendelijke groet,

Krijn Leentfaar


Email nr. 2: verwarring over einddatum

Subject: Fw: Ja, ik ben een wakkere RA!]

From: <jcmgvaneijs@hotmail.com>

Date: Wed, 13 Dec 2006 23:20:02 +0100

 

To: "C.B.A. Spil" <corneel.spil@finiconsult.com>

 

Geachte collega Spil,

 

Het is mij afgelopen maandag nog gelukt om via de nivra-site een machtiging als volgt in te dienen. Ik las in uw artikel van vandaag dat machtigingen 5 dagen voor aanvnag ingediend moeten zijn. Als dat zo is had het Nivra dit toch via de site kenbaar moeten maken, toch ?

 

Veel succes morgen,

 

John van Eijs


Email nr. 3: online registratie werkt niet

Subject:Re: Ja, ik ben een wakkere RA!]

From: "J.C.J. van Doesburg" <j.c.j.van.doesburg@planet.nl>

Date: Thu, 14 Dec 2006 09:59:44 +0100

 

To: "C.B.A. Spil" <corneel.spil@finiconsult.com>

 

Ja, lukte niet

----- Original Message -----

From: C.B.A. Spil

To: J.C.J. van Doesburg

Sent: Wednesday, December 13, 2006 5:32 PM

Subject: Re: Ja, ik ben een wakkere RA!]

 

Wel per fax gedaan?

J.C.J. van Doesburg wrote:
machtiging kon ik niet meer online indienen!!!


Email nr. 4: volmacht wel ingediend maar niet bij volmachtnemer geregistreerd 

Subject: RE: [Fwd: Ja, ik ben een wakkere RA!]

From: "Leon Oudejans" <leon.oudejans@gmail.com>

Date: Thu, 14 Dec 2006 23:30:30 +0100

 

To: <joris.joppe@coney.nl>

CC: "'C.B.A. Spil'" <corneel.spil@finiconsult.com>

Geachte heer Joppe,

Ik weet niet wat er met uw volmacht is gebeurd maar deze was helaas niet bekend bij het NIVRA.

We hebben de strijd uiteindelijk op zo’n 100-150 stemmen verloren.

Met vriendelijke groet,

Léon Oudejans RA

Jacob Catslaan 3

2012PE Haarlem

Thuis: 023-5290425

Mobiel: 0654-775998


Email nr. 5: volmacht wel ingediend maar niet bij volmachtnemer geregistreerd

Deze mail is waarschijnlijk per ongeluk aan Spil geadresseerd geweest in plaats van aan de heer Bijvoet

Subject: RE: [Fwd: Ja, ik ben een wakkere RA!]

From: "Leon Oudejans" <leon.oudejans@gmail.com>

Date: Thu, 14 Dec 2006 23:30:50 +0100

 

To: "'C.B.A. Spil'" <corneel.spil@finiconsult.com>, <c.bijvoet@londenholland.nl>

 

Geachte heer Bijvoet,

 

Ik weet niet wat er met uw volmacht is gebeurd maar deze was helaas niet

bekend bij het NIVRA.

 

We hebben de strijd uiteindelijk op zo’n 100-150 stemmen verloren.

 

Met vriendelijke groet,

 

Léon Oudejans RA

Jacob Catslaan 3

2012PE Haarlem

 

Thuis: 023-5290425

Mobiel: 0654-775998


Email nr. 6 verwarring over einddatum

Subject: Re: VGC

From: "C.B.A. Spil" <corneel.spil@finiconsult.com>

Date: Fri, 15 Dec 2006 11:19:29 +0100

 

To: "Harmen Ettema (HeerenXVII)" <harmen.ettema@heerenxvii.nl>

 

Geachte Heer Ettema,

Helaas kwam dit bericht te laat.  Nog dank voor uw suggestie inzake de notaris.  Zoals u heeft geconstateerd was deze niet al te objectief. Maar geen nood,  nadere berichten volgen. De strijd is nog niet verloren, dit was slechts een tegenslag. 

Bent u evt. bereid enige tijd te investeren in de strijd om 11.000 Nivra-leden niet langer de gegijzelde te laten zijn van de grote openbare kantoren? Zo  ja, bel me even.

Met vriendelijke groeten,
Corneel B.A. Spil

  
Harmen Ettema (HeerenXVII) wrote:

Ik kom vanmiddag en kan nog 1 volmacht nemen

Harmen ettema

Lidnummer 09584

 

------Original Message------

From: C.B.A. Spil

To: Harmen Ettema (HeerenXVII)

Sent: Dec 10, 2006 11:34

Subject: Re: VGC

 

Geachte Heer Ettema,

 

Telefonisch heeft mevrouw mr. V. van Egmond mij medegedeeld ook na de

sluitingstermijnen alle aanwezige Nivra-leden en alle geldige volmachten

op bijgaand formulier te zullen accepteren. Liever niet want het kan

daardoor een procedurele janboel worden.

Meldt u daarom op tijd aan. Ik kan u dan ook nog tijdig drie volmachten

bezorgen zo nodig.

 

Met vriendelijke groeten,

Corneel B.A. Spil

===============

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mevrouw mr. V. van

Egmond, tel. 020 301 0349 of e-mail: v.egmond@nivra.nl

<mailto:v.egmond@nivra.nl>.

 

Harmen Ettema (HeerenXVII) wrote:

 

 

Mijn komst is nog onzeker ivm afspraken.

 

Ik kan het later nog wel melden of ik kan komen, maar we moeten

daarmee niet 3 stemmen verloren laten gaan...

 

Is aanmelden vooraf noodzakelijk en tot wanneer kan dit?

 

Het Nivra spreekt over uiterlijk 7 december?

 

Groet, Harmen

 

 

Harmen C.J. Ettema / manager, raadgever, toezichthouder

Mob 0653.563.550

HeerenXVII - netwerk van professionals

Postbus 423, 1620 AK Hoorn, Nieuwstraat 18, 1621 EA Hoorn

Tel 0229.269.755, Fax 0229.266.749

Email harmen.ettema@heerenxvii.nl <mailto:harmen.ettema@heerenxvii.nl>

Internet www.heerenxvii.nl/harmen.ettema

<http://www.heerenxvii.nl/harmen.ettema>

 

-----Oorspronkelijk bericht-----

Van: C.B.A. Spil [mailto:corneel.spil@finiconsult.com]

Verzonden: zondag 10 december 2006 11:14

Aan: Harmen

   

Harmen Ettema

HeerenXVII een netwerk van professionals

Postbus 423, 1620 AK Hoorn

Nieuwstraat 18, 1621 EA Hoorn

Mob 0653.563.550, Tel 0229.269.755

Fax 0229.266.749, Email harmen.ettema@heerenxvii.nl

Internet www.heerenxvii.nl/harmen.ettema

 


Email nr. 7: volmacht wel ingediend maar niet bij volmachtnemer geregistreerd

Mail met bijlage waarop (nog) geen antwoord is ontvangen

Subject: volmachten.doc

From: "Th de Leeuw" <t.de.leeuw@freeler.nl>

Date: Fri, 15 Dec 2006 12:02:15 +0100

 

To: <p.sneek@xs4all.nl>

CC:"'C.B.A. Spil'" <corneel.spil@finiconsult.com>

 

Geachte collega

 

Op de NIVRA vergadering zou ik door u gemachtigd worden om een stem uit te brengen tegen de nieuwe richtlijnen.

Via de Heer Spil was ik geïnformeerd dat ik drie volmachten zou ontvangen, n.l. u en twee andere collega’s.

Bij de aanmelding gistermiddag voor de vergadering, bleek aan mijn naam slechts 1 volmacht te hangen, waarvoor ook een stemkastje werd uitgereikt.

Daar dit wat snel in zijn werk ging ben ik vergeten voor welke collega dat was.

Daar het laatste woord nog niet gezegd is over de wijze van volmachtverlening,  zou ik graag alsnog door u worden geïnformeerd, wat uw activiteiten na de mail van 6 december j.l. aan u van de heer Spil zijn geweest en/of er e.v. een bevestiging door het Nivra is ontvangen, zo mogelijk vergezeld van afschriften hiervan

 

Bij voorbaat dank voor uw medewerking, verblijf ik met vriendelijke groet

 

Th. de Leeuw

Tel. 0348-501516

Mobiel 0616-376018


Email nr. 8: verwarring over einddatum

Subject: RE: volmachten.doc

From: Orlando Baker <o.baker@planet.nl>

Date: Fri, 15 Dec 2006 12:37:46 +0100

 

To: 'Th de Leeuw' <t.de.leeuw@freeler.nl>

CC:"'C.B.A. Spil'" <corneel.spil@finiconsult.com>

 

Geachte heer,

 

Ik heb niet op juiste formele (Nivra) wijze volmacht verleend.

Feitelijk was ik te laat.

Ik heb nog een document geopend (via een website?).

In dat volmacht document stond dat ik uiterlijk 6 dagen voor de vergadering

(14 december) mijn volmacht moest hebben ingeleverd. Deze termijn heb ik

overschreden en toen heb ik geen volmacht meer ingediend er van uitgaand dat die niet meer rechtsgeldig zou zijn (er vanuit gaand dat het Nivra zich zeer formeel zou opstellen).

 

Mijn excuses hiervoor. Een gemiste kans.

 

Met verbazing gelezen hoe de stemming bij de Nova is verlopen.

 

Als de RA titel niet gekoppeld zou zijn aan het Nivra lidmaatschap zou ik

overwegen mijn lidmaatschap in het Nivra op te zeggen.

 

Mvgr. O.R. Baker

 

-----Oorspronkelijk bericht-----

Van: Th de Leeuw [mailto:t.de.leeuw@freeler.nl]

Verzonden: vrijdag 15 december 2006 12:02

Aan: o.baker@planet.nl

CC: 'C.B.A. Spil'

Onderwerp: volmachten.doc


Email nr.9: volmacht wel ingediend maar niet bij volmachtnemer geregistreerd

Subject: RE: volmachten.doc

From: "Leon Vankan" <l.vankan@vankanacc.nl>

Date: Fri, 15 Dec 2006 17:57:58 +0100

 

To: "Th de Leeuw" <t.de.leeuw@freeler.nl>

CC:"C.B.A. Spil" <corneel.spil@finiconsult.com>

 

Geachte heer de Leeuw,

 

Ik heb afgelopen maandag de volmacht aan U gegeven via het besloten

gedeelte van de Nivra site (conform het advies van dhr. Spil).

Ik heb de bevestiging, die voor zich spreekt, voor de zekerheid maar

uitgeprint (zie bijlage).

Ik begrijp dan ook absoluut niet waarom U niet voor mij heeft mogen

stemmen.

 

Gaarne bereid tot het geven van verdere toelichting of tot het nemen van

verdere actie verblijft,

 

Met vriendelijke groet

 

Leon Vankan

 

-----Oorspronkelijk bericht-----

Van: Th de Leeuw [mailto:t.de.leeuw@freeler.nl]

Verzonden: vrijdag 15 december 2006 12:02

Aan: Leon Vankan

CC: 'C.B.A. Spil'

Onderwerp: volmachten.doc

 


Email nr.10

Alleen het jongste  deel van deze email overgenomen

Subject: RE: [Fwd: FW: Stem tegen de VGC en vssr de alternatieve X-Gedragscode]

From: "Paul Duinkerken" <duinkerken@solcon.nl>

Date: Tue, 13 Feb 2007 09:16:09 +0100

 

To: "'C.B.A. Spil'" <corneel.spil@finiconsult.com>

Geachte heer Spil,

 U hebt om voor mij onduidelijke redenen een concept-versie van het antwoord ontvangen, met excuses. Er is iets mis gegaan, maar hieronder volgt de goede versie

 “Ik heb me inmiddels aangemeld voor de extra NIvRA-ledenvergadering van 28 feb.

 Inzake uw vragen:

Toen ik binnenkwam kwamen er meerdere personen binnen, te laat dus na de opening. Uiteraard moesten we ons laten registreren en ontvingen we de volmachten.

 De late binnenkomers gingen naar balkon. Later kwamen er nog veel meer mensen bij met meerdere stemkastjes. Ik dacht dat het een “buslading van een groot accountantskantoor” was die bestuursvoorstellen moesten steunen, maar geen zin hadden daar teveel tijd aan te besteden. Helaas voor hun moesten ze de rit uitzitten maar gemotiveerd leken ze niet.

 Een ander punt: voor mij is de vraag hoe de notaris heeft vastgesteld wat het quorum is? Bij de opening (en eerste test?) waren er blijkbaar ca 700 mensen, bij de latere test steeg dat tot ruim 800 en bij de stemming waren er bijna 900 stemmen. Hoe stelt de notaris dan juistheid van aantal stemgerechtigden vast? Hoeveel aanmeldingen waren er, en hoeveel registraties, en hoeveel mensen hebben ze ter plekke aangemeld en registreert?

Is er inderdaad nog een buslading binnengekomen die gezien de “ruime geste van het bestuur” zich heeft aangemeld en geregistreerd toen vergadering al begonnen was? Was de ruime geste van het bestur nodig om zich van voldoende aanhang te verzekeren?

 

Succes gewenst met gesprekken en compromis,

 Met vriendelijke groet,

 Paul Duinkerken


Fax over email  nr.11: online-registratie werkt niet, verwarring over einddatum

 

 



Email nr.12: verwarring over einddatum

Subject: Re: [Fwd: Ja, ik ben een wakkere RA!]

From: "Martin Vries, de" <Martin.deVries@mazars.nl>

Date: Sun, 10 Dec 2006 21:26:25 +0100

 

To: <corneel.spil@finiconsult.com>

 

De termijn voor aanmelden bij het nivra was toch al voorbij ?

 

Mvg

Martin 

-----Original Message-----

From: "C.B.A. Spil" <corneel.spil@finiconsult.com>

To: Martin Vries, de <91835@mazars.nl>

 

Sent: 12/10/2006 12:00:30 PM

Subject: [Fwd: Ja, ik ben een wakkere RA!]

 

Geachte Heer de Vries,

 

Het spijt me u te moeten berichten dat er veel meer volmachtgevers zijn

 

dan volmachtnemers.

 

Als u drie collega's uit de buurt weet te vinden en u rijdt met zijn  

allen naar Amsterdam op 14 december, beleeft u de meest boeiende

vergadering uit de geschiedenis van Nivra. Als u of vele anderen dat 

niet lukt, moet ik u mogelijk teleurstellen.

 

Met vriendelijke groeten,

Corneel B.A. Spil

0411-641699


Email nr.13: verwarring over einddatum

Subject: Re: [Fwd: Ja, ik ben een wakkere RA!]

From: hdevet@wxs.nl

Date: Tue, 12 Dec 2006 10:00:53 +0100

 

To: "C.B.A. Spil" <corneel.spil@finiconsult.com>

Goedemorgen,

Henry Dix kan mij niet meer machtigen. Moest voor 6 december en dit heeft hij blijkbaar niet gedaan?. Ik heb derhalve slechts 2 machtigingen.

Hoe werkt het machtigen overigens verder in de praktijk? Krijg ik extra stemformulieren uitgereikt op de vergadering?

mvg Harry


PRODUKTIE 3: Mededeling NMA d.d. 8-10-2007

Subject: FW: Instemming NMA met VGC?

From: "Slot mw mr C.W." <C.W.Slot@nmanet.nl>

Date: Mon, 8 Oct 2007 14:27:56 +0200

 

To: <corneel.spil@finiconsult.com>

CC:"Broeke mw mr drs G.G.J. ten" <G.G.J.tenBroeke@nmanet.nl>

 

Geachte heer Spil,

 

Mw. Ten Broeke vroeg mij op uw mail te reageren.

De NMa heeft tijdens de consultatieronde van Nivra enkele kanttekeningen gemaakt bij de VGC. Deze betreffen geen van alle het door u aan de orde gestelde punt. Er is door ons nooit enige verklaring van geen bezwaar of goedkeuring oid afgegeven; hiervoor bestaat ook geen rechtsgrond.

Het Ministerie van Financiën heeft de VGC goedgekeurd.

 

Wat betreft het door u aan de orde gestelde punt en zoals waarschijnlijk ook aan u bekend:

- de door Nivra gehanteerde definitie van accountantsorganisatie in de VGC  en in de Verordening accountantsorganisaties is gelijkluidend aan die in artikel 1a van de Wet toezicht accountantsorganisaties (hiernaar wordt ook verwezen).

- de VGC kent geen definitie van netwerkorganisatie. De Verordening accountantsorganisaties kent dezelfde definitie van netwerk als het Besluit toezicht accountantsorganisaties in artikel 1 onder c (hiernaar wordt verwezen). Deze definitie komt overeen met de door u geciteerde definitie van de Richtlijn.

 

Dit is mede de reden dat de NMa geen kanttekening bij deze begrippen / definities in de VGC en de Verordening accountantsorganisaties heeft gemaakt.

 

 

Hoogachtend,

 

Christien Slot

 

 

Mw.mr. C.W. Slot
senior medewerker
Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa)
Directie Concurrentietoezicht
Postbus 16326, 2500 BH DEN HAAG
T: 070- 330 33 36
F: 070- 330 33 70
E-mail: c.w.slot@nmanet.nl


Van: C.B.A. Spil [mailto:corneel.spil@finiconsult.com]
Verzonden: vrijdag 5 oktober 2007 17:00
Aan: Broeke mw mr drs G.G.J. ten
Onderwerp: Instemming NMA met VGC?

Geachte Mevrouw ten Broeke,

Deze week hebben we telefonisch gesproken over enkele stellingen van Nivra in haar Memorie van Antwoord bij het HOF Amsterdam.
Het betreft in casu de nummers 116 en 117:
116. De stelling van SWA c.s. dat grotere kantoren via allerlei constructies afdelingen/personen buiten de netwerkdefinitie (accountantsorganisatie) zouden kunnen houden waardoor zij een kostenvoordeel zouden kunnen realiseren ten opzichte van kleinere kantoren kan het Nivra volstrekt niet volgen.
117. Het Nivra wijst erop dat de VGC in het voorbereidingstraject is voorgelegd aan de Nederlandse Mededingingsautoriteit en dat deze geen bezwaar had tegen de inhoud ervan.

U gaf aan een en ander na te gaan en sprak enige twijfels uit over de aard van de NMA verklaring van geen bezwaar.  Aangezien we als SWA volgende week al moeten reageren, mail ik u voor de goede orde ook nog wat details uit onze Memorie van Grieven onderaan deze mail. De complete juridische teksten kunt u vinden op de site www.wakkereaccountant.nl

Hartelijk dank voor uw medewerking en een prettig weekend,
Corneel B.A. Spil
0411-641699
======================================================
DAGVAARDING IN EERSTE INSTANTIE
Er is sprake van nietigheid ex artikel 6 Mededingingswet omdat de VGC in samenhang met de netwerkdefinitie binnen de VGC een concurrentievoordeel schept voor grotere organisaties en daardoor concurrentievervalsing mogelijk maakt doordat:

I.   organisaties die aan accountancy verwante diensten (belastingadvies, interim-manage­ment, advocatuur, juridisch advies bijv. inzake corporate governance, management consul­tancy etc.) verlenen en toevallig RA's of AA's in dienst hebben onvoorzien onder de regelge­ving van accountantskantoor kunnen vallen; daarentegen hebben grotere accountantskanto­ren de vrijheid om al dan niet onder eigen naam via een afzonderlijke organisatie zonder RA's, AA's in dienstverband toch dezelfde aan accountancy verwante diensten te verlenen en daarmee buiten alle accountantsregelgeving vallen,

II.  kleinere samenstelpraktijken onder heel veel regelgeving voor openbare accountants vallen terwijl grotere accountantskantoren, al dan niet onder eigen naam, via een afzonder­lijke organisatie een samenstelpraktijk kunnen opzetten zonder RA's, AA's in dienstverband en daarmee buiten alle accountantsregelgeving vallen,

Er is sprake van schending van Europese en internationale rechtsregels meer in het bijzonder de 8e Europese Richtlijn en de Code of Ethics van Ifac zoals uit onderstaande definities blijkt:

 a.     De 8e Europese Richtlijn geeft, in lijn met de IFAC-regels, een brede netwerk-definitie in artikel 2     

      Definities sub 7:

"network" means the larger structure:

– which is aimed at cooperation and to which a statutory auditor or an audit firm be­longs, and

– which is clearly aimed at profit- or cost-sharing or shares common ownership, con­trol or management, common quality-control policies and procedures, a common business strategy, the use of a common brand-name or a significant part of profes­sional resources;

b.  Ifac geeft evenzeer een brede netwerk-definitie in haar definitie-sectie:

Network firm: An entity under common control, ownership or management with the firm or any entity that a reasonable and informed third party having knowledge of all relevant information would reasonably conclude as being part of the firm nationally or internationally.

  De VGC daarentegen geeft juist een zeer beperkte netwerk-definitie onder haar Definities     

  on­der e.

accountantsorganisatie: de onderneming of instelling die bedrijfsmatig wettelijke con­troles verricht, dan wel een organisatie waarin zodanige ondernemingen of instellin­gen met elkaar zijn verbonden …;

Het verschil zit in de toevoeging “wettelijke controles” in de VGC.  Dit definitieverschil is zo op­vallend en zo wezenlijk dat aan de conclusie niet valt te ontkomen dat hier geen sprake kan zijn van toeval maar van welbewuste keuzes in strijd met de wet en met de bedoeling om voordeel te behalen voor grotere accountantsorganisaties.  De wetgever beoogde immers via de WRA zowel de 8e Europese Richtlijn en de Code of Ethics van Ifac te implementeren.  

Het voordeel voor grotere kantoren schuilt er in dat de VGC-definitie van netwerk haar reik­wijdte beperkt tot organisaties die wettelijke controles uitoefenen. Daardoor vallen organisa­ties die zich wel bezighouden met accountancy of accountancy-verwante werkzaamheden maar niet met wettelijke controles buiten het netwerk in de VGC-definitie waardoor voor gro­tere accountantsorganisaties een concurrentievoordeel ontstaat. Als gevolg daarvan is sprake van concurrentievervalsing zoals uiteengezet onder punt 0 hierboven.


Dit bericht kan informatie bevatten die niet voor u is bestemd. Indien u niet de geadresseerde bent of dit bericht abusievelijk aan u is toegezonden, wordt u verzocht dat aan de afzender te melden en het bericht te verwijderen. De Staat aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard ook, die verband houdt met risico's verbonden aan het elektronisch verzenden van berichten.
This message may contain information that is not intended for you. If you are not the addressee or if this message was sent to you by mistake, you are requested to inform the sender and delete the message. The State accepts no liability for damage of any kind resulting from the risks inherent in the electronic transmission of messages.