Terug naar Startpagina

Civiele Procedure Onrechtmatige Overheidsdaad

Het huidige wettelijke monopolie van de NBA (voorheen Nivra en NOvAA) betekent strijdigheid met Europees recht. De Wet op het Accountantsberoep (WAB) legt immers een dwingend verband tussen het accountantsregister en het NBA lidmaatschap. Dit verband wordt versterkt door de verbodsbepaling in art. 41 lid 2 WAB zich anders dan in besloten kring zich accountant te noemen of de indruk te wekken bevoegd te zijn. Dit verbod wordt breed uitgelegd in de jurisprudentie en omvat aldus ook termen zoals “accountancy”, “accounting” “accountantskantoor” etc. Daarnaast hebben de BigFour van de gelegenheid gebruik gemaakt door iedereen te onderwerpen aan zeer strikte regels voor accountants en zichzelf via zogenaamd zelfstandige eenheden vrij te stellen. Via afspraken over stemverhoudingen in het NBA-bestuur heeft de BigFour zich een kartelpositie. Dit alles is strijdig met de Wet op de Mededinging en Europese regels.

Deze procedure kan niet los worden gezien van dit geheel van procedures over niet door het algemeen belang te rechtvaardigen machtsuitoefening door de NBA ten faveure van grotere kantoren. Dat overzicht vangt aan met een kort geding dat het Hof uiteindelijk ongeschikt heeft geoordeeld voor kort geding.

Hieronder staat het verloop van deze civiele procedure met de belangrijkste onderliggende stukken op datumvolgorde.

  1. Op 2-7-2018 is deze procesinleiding in cassatie ingediend. Gezien de gebleken vasthoudendheid van de rechtspraak om de belangen van de Staat te verdedigen is het de vraag of aan toepassing van art. 80/81a Wet RO valt te ontkomen. Maar de HR is nu eenmaal een noodzakelijk doorgeefluik voor EHRM die expliciet vroeg om het laatste oordeel van de hoogste civiele rechter over het oordeel van CBB dat een publiekrechtelijk jasje voldoende is om verenigingsdwang (en nu ook concurrentievervalsing) mogelijk te maken.
  2. Op 3-4-2018 wees het Hof Den Haag dit eindvonnis. Beschamend! Vrijwel alle grieven werden afgedaan met ongemotiveerde verwijzingen naar de uitspraak van de kantonrechter die blindelings letterlijke citaten uit de CvA Staat overnam. Cassatie zal volgen. Of dit een eind maakt aan deze reeks van politiek gekleurde ongemotiveerde rechtelijke uitspraken, moet blijken.
  3. Op 22-2-2017 vond de hoorzitting plaats. In volgorde van de grieven weerlegde OvRAN in de pleitnota de argumenten uit de Memorie van Antwoord. De Staat verweerde zich met deze pleitnota. Het verweer van de Staat bevatte vrijwel uitsluitend herhalingen. Alleen in onderdeel 5 concurrentieverbod kwamen twee nieuwe argumenten te voorschijn tegen de beschuldiging dat de NBA facilitator is van een Big Four regle­men­te­ringskartel. Allereerst met de stelling dat de Richtsnoeren toepasselijkheid art. 101 VWEU slaat op andere vormen van samenwerking dan voor accountants. Ten tweede met een verwijzing naar dit IATA arrest. Beide argumenten zijn onbegrijpelijk. De Richtsnoeren handelen over verboden horizontale samenwerkingsovereenkomsten en geven eerst een algemeen beoordelingskader en benoemen daarna enkele bekende specifieke kartelvormen. Dit uitzonderlijke NBA reglementeringskartel wordt uiteraard niet specifiek benoemd maar valt duidelijk wel onder het algemene beoordelingskader. De verwijzing naar het IATA errest is ook onbegrijpelijk. In die casus concludeerde de HR dat onvoldoende bewijs werd geleverd voor concurrentievervalsing. De primaire stelling van OvRAN was echter dat de Staat ingevolge randnummer 24 van de Richtsnoeren moet bewijzen dat bij de NBA geen sprake is van beperkingen die naar hun aard de mededinging kunnen beperken. Secundair betoogde OvRAN dat afdoend bewijs is geleverd. Een van de Raadsheren was Mevr. Prof mr. Gerards, hoogleraar aan de Uni Utrecht. Dat wekt enig vertrouwen dat het Hof niet, zoals de Rechtbank, de stellingen van de Staat blindelings gaat overnemen. Uit dit proces-verbaal van de zitting en het latere vonnis blijkt dat dit vertrouwen misplaatst was. Ondanks het schriftelijk verzoek met cc wederpartij om de tijd om te pleiten te verlengen werden belangrijke overwegingen geschrapt omdat de voorzitter van het Hof er niet in slaagde dit verzoek in dit dossier terug te vinden.
  4. Op 21-11-2017 is deze akte ingebracht. Deze tuchtklacht tegen de 3 NBA-bestuursleden die de Big Four vertegenwoordigen levert nader bewijs voor het bestaan van een Big Four regle­men­te­ringskartel met NBA als facilitator.
  5. Zitting bij het Hof Den Haag is bepaald op donderdag 22-02-2018 om 09:30 uur.
  6. Op 3-08-2017 is deze Memorie van Antwoord ontvangen met liefst 39 pagina's. De Staat tracht daarmee opperste verwarring te zaaien.
  7. Op 19-5-2017 is deze Memorie van Grieven verzonden met liefst 23 pagina's en 12 grieven naast 6 producties. Uit de analyse blijkt dat de Rechtbank de stukken onvoldoende heeft gelezen en mede daarom tot volstrekt onjuiste uitspraken komt. De rechtsoordelen van de Rechtbank c.q strafkamer HR zijn zeer aanvechtbaar en o.i. volstrekt onjuist. Oordeelt u zelf s.v.p.
  8. Op 28-03-2017 is deze formele appeldagvaarding uitgebracht. De Memorie van Grieven volgt in Mei.
  9. De Rechtbank Den Haag passeerde op 22-2-2017 alle argumenten van OvRAN in deze uitspraak. Dat de strafkamer HR misgreep in harde jurisprudentie en feiten, is al betreurenswaardig. Dat deze Rechtbank dit niet corrigeerde maar slechts de conclusies van de strafkamer HR citeerde, is onbegrijpelijk. Dat het handelen van de NBA als ondernemersvereniging niet aan de Staat toegerekend kan worden, is een evidente misvatting. Het is nu eenmaal de Staat die dit handelen wettelijk faciliteerde. Kortom, appel is nodig. Als ook het HOF Den Haag dit niet corrigeert en de civiele Kamer van de HR weigert haar strafkamer berispend toe te spreken, wordt een gang naar EHRM, Straatsburg, onvermijdelijk.
  10. In de partijcomparitie bij de Rechtbank Den Haag op 31 Januari 2017 bracht OvRAN deze pleitnota in en de Staat deze pleitnota. Uit dit proces-verbaal van de zitting blijken diverse aanvullende opmerkingen van partijen.
  11. Via deze akte met tal van stukken worden de misvattingen van de Staat weerlegd.
  12. Op 21-06-2016 arriveerde de Conclusie van Antwoord. Comparitiedatum is gesteld op 31-1-2017.
  13. Op 17-3-2016 is deze civiele dagvaarding uitgebracht. Het zal niemand verbazen dat als belangrijkste rechtsgronden art. 11 EVRM over verenigings­dwang naar voren is gebracht naast art. 1 van het 1e Protocol EHRM over eigendomsrecht. De uitgebreide motivatie van beide rechtsgronden waar meerdere advocaten aan hebben meegewerkt is zeer lezenswaard.
    - Geheel nieuw in de civiele procedure is een uitvoerig gemotiveerd beroep op art. 6 van de Wet Economische Mededinging (WM) over concurrentiebeperking en kartelverbod.
    - Nieuw is ook de vordering. Politiek hebben zowel de SWA als OvRAN zich altijd gericht op volledig zelfstandige ledengroepen. Nu is de vordering om in art. 2 lid 3 van de WAB niet alleen buitenlandse accountants vrij te stel­len van het lidmaatschap NBA maar voor ieder­een die dat wil. Inschrijving in het register zon­der lidmaatschap van een publiek- of privaat­rech­telijke beroepsorganisatie voor accountants heeft wel als gevolg dat alle IFAC regels van toepassing blijven. Zo kan iedereen zich onttrekken aan regelgeving die andere belangen dient dan het algemeen belang. De dienstverle­ning door kleinere accountants(kantoren) kan daardoor aanzienlijk verbeteren met minder kosten en ballast. Maar niemand kan zich onttrekken aan regelgeving die door vrijwel alle accountants in de wereld wordt ondersteund.