Terug naar Politieke Ontwikkelingen

Toelating leden OvRAN tot de wettelijke controle


Via deze bestuursrechtelijke procedure tegen Minfin vordert OvRAN toelating van OvRAN leden tot de wettelijke controle op de grond van art. 28 Wet Toezicht Accountantsorganisaties (WTA).
Zie ook de laatste stand van zaken bij de CBB procedure ex. art. 1 WRA.
Zie ook de procedure gestart bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens(EHRM) in Straatsburg. Klik hier voor details.

Hieronder staat het verloop van de procedure met de belangrijkste onderliggende stukken op datumvolgorde, de jongste bovenaan.

  1. Op 18-8-2014 besloot CBB met deze tekst het afwijzende besluit van Minfin te bevestigen. Opmerkelijk is de motivatie. Terwijl zowel de wettekst als de parlementaire geschiedenis duidelijk maken dat sprake is van een uitzondering op een algemene regel (in casu art. 27 die het NBA-lidmaatschap voorschrijft als voorwaarde voor AFM inschrijving), stelt CBB dat deze uitzondering ook een algemene regel is. Wat betreft art. 11 EVRM en dwingend Europees recht verwijst CBB naar haar uitspraak inzake directe verenigingsdwang op dezelfde dag. Daar gaat ons hoogste rechtscollege geheel voorbij aan strijdigheid met art. 11 EVRM. Zij bevestigt allereerst ongemotiveerd onder ro 5.1 haar vorige uitspraak dat een beroep op art. 11. EVRM niet met vrucht kan worden gedaan. Vervolgens concludeert CBB onder ro. 5.5 dat: "het toetsingsverbod in art. 120 van de Grondwet en art. 11 van de Wet Algemene Bepalingen staat er aan in de weg dat het College - in het licht van art. 8 van de Grondwet en art. 3.3. AWB. de innerlijke juistheid van de Wet RA beoordeelt." Het zou ons zeer verbazen als EHRM voorbij zou gaan aan haar vaste jurisprudentie dat wanneer nationale overheden falen Europees recht toe te passen zoals hier : the domestic legal order will provide an effective remedy for violations of Convention rights.. En dat betekent concreet bepalingen strijdig met Europees recht terzijde stellen. Deze algemeen bekende jurisprudentie is aan CBB kennelijk voorbijgegaan. Helaas duurt het weer enkele enkele jaren voordat Straatsburg het te verwachten positieve besluit zal nemen.
  2. Op 15-4-2014 werden de pleitnotities uitgewisseld van OvRAN en Minfin. Minfin beriep zich op de stelling dat art. 28 WTA een algemeen verbindend voorschrift (avv) is en derhalve geen beroep open staat. OvRAN stelde dat volgens de jurisprudentie inzake avv's, art. 28 WTA geen avv kan zijn gezien het ontbreken van zelfstandige normstelling die zich leent voor herhaalde toepassing. Pas als er een AMVB zou komen, kan geoordeeld worden of sprake is van een avv. Nu is het een appellabele beschikkingsaanvraag. Tegenover het beroep van Minfin op Nederlandse jurisprudentie over PBO's, wierp OvRAN op dat Europees recht nu eenmaal dwingend is, prevaleert en dus nationale regelgeving en jurisprudentie ter zijde stelt. Tegenover het beroep van Minfin op Hermann tegen Duitsland, verwees OvRAN naar het latere arrest van de Grote Kamer EHRM in deze casus die dit arrest naar de prullenmand verwees. De rechters hielden zich op de vlakte. Zeg maar 50/50 kans bij CBB, bijna 100% kans in Straatsburg.
  3. Op 18-8-2014 besloot CBB het afwijzende besluit van de NBA te bevestigen. Zie hier. Opmerkelijk is de motivatie. Terwijl zowel de wettekst als de parlementaire geschiedenis duidelijk maken dat sprake is van een uitzondering op een algemene regel (in casu art. 27 die het NBA-lidmaatschap voorschrijft als voorwaarde voor AFM inschrijving), stelt CBB dat deze uitzondering ook een algemene regel is. Wat betreft art. 11 EVRM en dwingend Europees recht verwijst CBB naar haar uitspraak inzake directe verenigingsdwang op dezelfde dag. Daar gaat ons hoogste rechtscollege geheel voorbij aan strijdigheid met art. 11 EVRM. Zij bevestigt ongemotiveerd onder ro 5.1 haar vorige uitspraak dat een beroep op art. 11. EVRM niet met vrucht kan worden gedaan en concludeert onder ro. 5.5 dat: "het toetsingsverbod in art. 120 van de Grondwet en art. 11 van de Wet Algemene Bepalingen er aan in de weg staat dat het College - in het licht van art. 8 van de Grondwet en art. 3.3. AWB. de innelijke juistheid van de Wet RA beoordeelt."
  4. OvRAN diende op 9-10-2013 dit wrakingsverzoek in. Dat wrakingsverzoek is ingewilligd. De zitting wordt nader order uitgesteld. Het bleek dat 2 van de 3 raadsheren ook de vorige uitspraak deden, de 3e bleek wel erg veel links met de NBA te hebben.
  5. Bij nadere brief van 23-9-2013 heeft CBB de zitting vastgesteld op 11.30 uur op de locatie Prins Clauslaan 60(Paleis van Justitie), Den Haag
  6. Bij brief van 15-4-2013 heeft CBB een zittingsdatum vastgesteld op donderdag 25 juli 2013. Nadere details volgen.
  7. Op 17 augustus diende OvRAN als processtuk een klacht bij EHRM in en verzoekt de samenstelling van het rechtdoende college te wijzigen.
  8. Op 31-1-2011 diende Minfin dit verweerschrift in. De argumenten van Minfin beperken zich tot herhalingen. Het betreft algemeen verbindende vooorschriften, dus niet ontvankelijk. Art. 11 EVRM (verenigingsvrijheid) is niet van toepassing op publiekrechtelijke organisaties en Nivra/NOvAA zijn geen vereniging. De publieke functie komt in gevaar als leden van OvRAN worden toegelaten tot de wettelijke controle.
  9. Op 29-12-2010 is met dit beroepschrift hoger beroep bij CBB ingediend. Het wordt een interessante vraag of met de gebruikte argumenten ook CBB zich niet ontvankelijk verklaart in deze en de andere op 31-12-2010 nog lopende procedures bij CBB ex. art. 1 WRA.
  10. Het vonnis d.d. 9-12-2010 verklaarde het beroep van OvRAN niet ontvankelijk. Het belangrijkste verweer van OvRAN was dat Europese recht van de nationale rechter verlangt de nationale regelgeving buiten toepassing te verklaren in geval van strijdigheid met Europees recht. Naar het oordeel van de Rechtbank Rotterdam schept een dergelijke situatie geen bevoegdheid voor de bestuursrechter om AWB art. 8.2 buiten toepassing te verklaren. AWB art. 8.2 sluit beroep bij een algemeen verbindend voorschrift uit. OvRAN stelde daarentegen dat art. 28 WTA gaat over een individueel concretiserend besluit zonder zelfstandige normstelling waartegen wel beroep mogelijk is. Inhoudelijk suggereert het vonnis dat art. 28 WTA verenigingsdwang impliceert en dat andere wegen open zouden staan om daar tegen op te komen. We zullen zien of CBB en de Europese rechter net zo denkt als de Rechtbank Rotterdam.
  11. Op maandag 15-11-2010 bleek dat Minfin niet kwam opdagen voor de zitting. Tegen de argumenten in bijgaande verkorte pleitaantekeningen kon Minfin dus ook geen verweer voeren. Heeft Minfin het nu opgegeven verenigingsdwang te blijven sanctioneren of deze zitting gewoon vergeten? Vonnis over 6 weken met de mogelijkheid van hoger beroep.
  12. Als zittingsdatum was 28 juni 2010 (middagzitting) voorzien. Wegens ziekte moest deze zitting worden uitgesteld. De nieuwe zittingsdatum is maandag 15-11-2010, 13.00 uur. Het feit dat Minfin haar verweer vooral baseert op een verouderd arrest RvS 10-8-1999 inzake NOvA, maakte een uitvoerige pleitnota OvRAN noodzakelijk met veel jurisprudentie daarin verwerkt. Deze pleitnota is reeds verzonden.
  13. Dit verweerschrift van Minfin van 22 maart 2010 gaat bijna niet in op de in het beroepschrift naar voren gebrachte gronden. Herhaald wordt de stelling dat het hier gaat om een niet voor beroep vatbare algemeen verbindend voorschrift. Als enig nieuw argument wordt naar voren gebracht een verouderd arrest van de Raad van State(RvS) van 10 augustus 1999 inzake de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA). Het EHRM arrest Chassagnou van 29 April 1999 was toen net bekend maar is kennelijk niet in het geding gebracht. Via het latere arrest van de Raad van State op 09-01-2008(Huisarts-versus-Bakhoven), ook een professionele organisatie, heeft de Raad van State een veel beperktere interpretatie gegeven van de mogelijkheid tot verenigingsdwang via professionele organisaties.
  14. Op 21 januari 2010 is OvRAN in beroep gegaan bij de Rechtbank Rotterdam,afd. Bestuursrecht. Het beroepschrift treft u hier.
  15. Op 18 december 2009 deelde Minfin de beslissing mede de beide verzoeken tot besluit niet ontvankelijk te verklaren. Inhoudelijke argumenten worden daarmee ontweken. Naar Minfin stelt is een verzoek tot uitleg van een wettelijke bepaling (art. 1 WAA/WRA) geen beslissing gericht op rechtsgevolg. Het verzoek om toepassing art. 28 WTA is, zo stelt Minfin, niet vatbaar voor bezwaar en beroep omdat de weigering van een verzoek om een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen op grond van de AWB niet vatbaar is voor besluit of beroep.
  16. Op 19 november 2009 liet Minfin op aimabele wijze weten voorshands de beide verzoeken tot besluit niet in behandeling te nemen.
  17. Op 30 november 2009 is als gevolg op de meest aimabele wijze in een reactie aan Minfin bezwaar gemaakt in de hoop bestuursrechtelijke en mogelijk Europese procedures te voorkomen al dan niet via parlementaire druk.
  18. N.a.v. de fusievoorstellen Nivra/NOvAA heeft OvRAN bij Minfin op 19 october 2009 twee verzoeken ingediend inzake wijzigingen accountancy-regelgeving.
    De twee OvRAN verzoeken besluiten te nemen, lopen vooruit op de toekomstige accountancy-regelgeving en betreffen:
    a)duidelijker interpretatievoorschrift van art. 1 lid 41 van de Wet op de Registeraccountants (WRA) en de Wet op de Accountants-Administratie consulenten (WAA) waardoor ieder ex-lid2 van Nivra of NOvAA evenals buitenlandse accountants de mogelijkheid krijgt zich wederom in te schrijven in het accountantsregister zonder verplicht lidmaatschap met tegenstrijdige beroepscodes, beide gebaseerd op dezelfde IFAC Code of Ethics.
    b)toelating van onze leden tot de wettelijke controle via een AmvB ex. art. 28 WTA.
    Klik hier voor verdere details van de beide verzoeken.