Terug naar Overzicht Procedures Nivra
Inschrijving in het accountantsregister zonder verplicht lidmaatschap; Index van processtukken.
Via deze
bestuursrechtelijke procedure vorderen een drietal ex-leden van Nivra
inschrijving in het register van Nivra zonder verplicht lidmaatschap
van Nivra. Art. 19 lid 3 WRA luidt: “Voor zover uit deze wet
niet anders blijkt, zijn de verordeningen van de Orde slechts
verbindend voor haar leden en organen.” Door deze wetsbepaling
gelden de verordeningen van Nivra derhalve niet voor degenen die
alleen zijn ingeschreven in het register maar geen lid zijn. De aan
de inschrijving verbonden rechten zoals het gebruik van de aanduiding
(register)accountant of RA blijven intact. De opvatting van Nivra dat
deze mogelijkheid alleen is toegestaan voor buitenlandse accountants
wordt daarmee bestreden. Aangenomen mag worden dat bij toewijzing van
de vordering door CBB niet alleen Nivra maar ook NOvAA gevolg zal
geven aan een dergelijk vonnis.
Omdat Nivra zich verweert met de stelling dat het de wet is die verenigingsdwang veroorzaakt, is het Ministerie van Financien (Minfin) verzocht de wet zodanig te interpreteren dat die in overeenstemming is met Europese regelgeving.
Zoals voorzien weigerde het Ministerie van Financiën (Minfin) aan dit verzoek te voldoen met een beroep op niet-ontvankelijkheid. Klik hier voor details. Hier staan dus twee overheden (Nivra en Minfin) die weigeren hun regelgeving aan te passen aan hogere Europese wetgeving inzake directe verenigingsdwang. Zie ook Rechtbank Rotterdam inzake indirecte verenigingsdwang via art. 28 WTA.
Als gevolg is inmiddels deze procedure gestart bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens(EHRM) in Straatsburg. Klik hier voor details.
Hieronder staat het
verloop van de procedures met de belangrijkste onderliggende stukken
op datumvolgorde.
- Op 17 augustus 2011 diende OvRAN als processtuk een klacht bij EHRM in en verzoekt de samenstelling van het rechtdoende college te wijzigen.
- Op 6 juni 2011 diende Nivra haar herhaalde verweerschrift in. Zoals te verwachten viel beroept Nivra zich alleen op de eerdere uitspraak van het CBB dat een beroep op art. 11 EVRM niet met vrucht kan worden gedaan bij publiekrechtelijke organisaties.
- Op 7 april 2011 diende OvRAN haar herhaalde beroepschrift in. Gememoreerd wordt dat een verzoekschift naar het EHRM in voorbereiding is om de Nederlandse accountancy wetgeving in lijn te brengen met art. 11, 14 en art. 1 of Protocol 1 EVRM.
- Op 11 maart 2011 deed Nivra uitspraak conform de instructies van CBB, verklaarde het bezwaar ontvankelijk en wees het verzoek af onder verwijzing naar de uitspraak CBB van 15 februari 2011. Op zeer korte termijn zal nu wederom hoger beroep worden ingesteld bij CBB. De verwachting is dat dit beroep zal worden afgewezen op dezelfde gronden als voorheen: verenigingsdwang zou alleen gelden voor privaat-rechtelijke organisaties. Van een dergelijke nieuwe uitspraak van CBB zal in Straatsburg uiteraard een klacht worden ingediend evenals van de laatste uitspraak CBB d.d. 15 februari 2011
- Op 15 februari 2011 deed CBB deze uitspraak en verklaarde het beroep gegrond maar met de aantekening dat op art. 11 EVRM, verbod op verenigingsdwang, alleen met vrucht een beroep gedaan kan worden bij privaat-rechtelijk verenigingen. Aan alle argumenten uit de Europese jurisprudentie die het tegendeel aantonen, wordt voorbijgegaan. Deze vrijbrief voor onnodige overheidsdwang is onbegrijpelijk omdat art. 11 EVRM juist is bedoeld om die te verhinderen. Binnen drie maanden zal hoger beroep worden ingesteld bij EHRM in Straatsburg. Juridisch advies zal moeten uitwijzen of beter gewacht kan worden op de te verwachten uitspraak van Nivra dat inschrijving in het register zonder lidmaatschap niet mogelijk is.
- Op 14 september vonden de zittingen plaats met voeging van de vergelijkbare procedure tegen Minfin. De pleitaantekeningen van Nivra treft u hier aan. Die van OvRAN hier naast een eerste impressie eveneens. Vonnis over 6 weken met de mogelijkheid van uitstel.
- Verweerschrift
Nivra. Opvallend is dat dit verweerschrift uitdrukkelijk niet
ingaat op de in het beroepschrift naar voren gebrachte gronden. Het
korte (4,3 pagina's) verweerschrift beperkt zich tot de zeer formele
conclusie “dat het wettelijk systeem zodanig
is dat het maken van uitzonderingen uitsluitend mogelijk is in de
door de wetgever voorziene gevallen.” Als gevolg
meent Nivra een dergelijk besluit niet te kunnen nemen omdat de
bevoegdheid daartoe ontbreekt. Nivra persisteert derhalve in haar
besluit tot niet-ontvankelijk verklaren. Het CBB zal nu moeten
uitmaken of een dergelijke conclusie te verenigen valt met art. 94
Grondwet waarin staat dat Nederlandse wettelijke voorschriften geen
toepassing vinden indien deze toepassing niet verenigbaar is met
eenieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties.
- Beroepschrift
d.d. 9 maart 2009. De vordering tot inschrijving in het
Nivra-register zonder verplicht lidmaatschap wordt niet alleen
gebaseerd op tekstuele en wets-historische gronden. De belangrijkste
argumenten betreffen drie strijdigheden met hogere regelgeving c.q.
verdragsrechtelijke verplichtingen:
• Verbod op verenigingsdwang (Nederlandse Grondwet, art. 8, de Universele Verklaring Over de Rechten van de Mens, art. 20 lid 2, Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) art. 11.
• Verboden onderscheid naar
nationaliteit (Art. 3 lid 1, sub c EEG-Verdrag juncto Art. 54)
• Aantasting van eigendomsrechten.
(art. 1 van het eerste Protocol d.d. 20 maart 1952 bij het EVRM).
- Op 25 februari 2009 werden drie identieke besluiten. ontvangen van Nivra
waarin het bezwaar van appellanten op 20 november door Nivra
ontvangen, niet-ontvankelijk werd verklaard.
- In een mail van 4-2-2009 zette Nivra enkele aspecten rond een
hoorzitting uiteen. Vervolgens besloten appellanten op 9-2-2009 af
te zien van een hoorzitting. Zie mailwisseling hier.
- Op 28 januari 2009 verzochten bezwaarmakers per fax om correctie van
een mail d.d. 26-1-2009, stelden vast dat afwijzing van het bezwaar
d.d. 20 november 2008 een publiekrechtelijk besluit zou zijn gericht
op rechtsgevolg en vroegen zich daarom af of een hoorzitting wel
zinvol kon zijn als de zitting alleen bedoeld zou zijn om over dit
laatste van gedachten te wisselen.
- Op 26 januari 2009 vond een mailuitwisseling plaats over een evt. te houden hoorzitting,
- Op 21 januari 2009 bevestigde Nivra de ontvangst van dit
rappel en deelde mede dat bezwaarmakers in de gelegenheid zouden
worden gesteld te worden gehoord.
- Op 20 januari 2009, na het overschrijden van de
bezwaartermijn, rappelleerden verzoekers Nivra per fax.
- Op 24 november bevestigde Nivra de ontvangst van dit
bezwaarschrift.
- Op 19 november 2008, verzonden met bericht van ontvangst, stelden
verzoekers bezwaar in tegen het besluit d.d. 7 november 2008 tot
afwijzing van het verzoek tot inschrijving in het register zonder
verenigingsdwang.
- Nivra reageerde op 7 november 2008 met een schrijven waarin
wordt gesteld dat Nivra een dergelijk besluit niet kan nemen omdat
aan het bestuur op dit punt geen bevoegdheid toekomt. Het verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard.
- Drie leden van Ovran hebben het lidmaatschap van Nivra
opgezegd. Vervolgens hebben zij per aangetekend schrijven op 22 oktober 2008 Nivra verzocht te
besluiten dat appellanten de beroepstitels “RA” en
“accountant” kunnen gebruiken zonder lid te zijn van
Nivra en zonder door Nivra opgelegde verplichtingen.